Dag droom ’s nachts

Dendrietenbos waaruit de geest is ontsnapt.

Dag droom ’s nachts

Vanochtend werd ik ruw uit mijn slaap wakker. Het sneeuwde. Een stem in mij: je hebt gedroomd, gedroomd over je geliefde die straffend keek of je wél sliep. Ik had geen zin om over de droom na te denken. Toen ik de slaap probeerde te hervatten hielden twee bosuilen mij uit de slaap. Hun ritmische geroep kwam dichterbij. Toen ik toch…, wakker werd van de duiven die voor mijn slaapkamerraam rondjes draaiden, had ik nauwelijks een paar minuten geslapen. De slaap keerde niet meer terug. De duiven bleven rondjes cirkelen.

Boven op het dak van de overbuurman Arie Punter staat een duiventil. Een gammel verblijf dat elk moment als een kaartenhuis in elkaar kan zakken. Toch, klimt de duivenmelker elk jaar zonder vrees het dak op om een laag nieuwe witte waterverf aan te brengen. Ook de dakpannen en de buitenmuren van zijn huisje schildert hij met een nieuwe laag waterverf. Om er nog iets van te maken, denk ik, heeft hij een plastic palmboom aan de duiventil gespijkerd. Na een regenbui spoelt de verf terug de dakgoot in. Dat belet hem niet nog eens het dak op te klimmen. Nu heeft hij een echte bananenboom op zijn dak.

Vanuit mijn bed bevind ik mij in cirkelende schaduwen van de vogels op het behang, in een draaikolk woon ik. (Hij die hoger dan de blauwe lucht woont en troont, maar ook op deze lage aarde wil wonen en werken, mocht mij in Zijn vogelkooi willen vangen?) Kutbeesten, zeg ik hees. Ik ruik de nacht, het nachtzweet zit op mijn huid en in het laken. Ik spring uit bed en sluit het raam; trek hard aan het gordijn, waardoor de rails losraakt. Een vloek. Dan is het weer stil. De verwarmingsbuizen beginnen te tikken. Ga weer op bed liggen en doe mijn ogen dicht en probeer weg te dommelen. Dan gaat de deurbel. In mijn hoofd?

Ik doe niet open, zegt een slaperige rauwe stem vanonder de kussen die ik niet herken: mogelijk wel? Ik sta op, loop vloekend de trap af en trek de voordeur met een ruk open en steek mijn hoofd om de hoek. Een stem uit de buitenwereld: God zij met u… Een vrouw. Ze heeft zich goed ingepakt, zie alleen haar glimlach. Ze doet haar bontmuts een stukje hoger. Haar ogen kijken mij aan alsof ik ‘ja’ moet zeggen. Ik zeg ‘nee.’

In de bontschaduw is haar oog mimiek geveinsd. Ze heeft zich niet alleen dik ingepakt, er ligt ook een dik pak sneeuw op haar hoofd en schouders. Ik zie alleen haar mond, neus en ogen, dat is genoeg. Er zit te veel licht in haar ogen. De ogen zijn gletsjerblauw, vulkanisch blauw, blauwe lava, en ik zeg, wat voor een kleur ogen heeft u? Wilt u met God spreken? zeg ik tegen de vrouw, die een stapje dichterbij komt. Dat hoeft niet, ik heb God in mijn hart, zegt ze. Haar lippen tuiten: Ik wil u de beste wensen brengen.

Voordat de vrouw de folder met grote vette letters DE VUURTOREN gedrukt openslaat, heb ik de voordeur elegant, maar toch met een klap dichtgedaan. Voordat ze begint met vragen, roep ik van achter de gesloten voordeur, dat God geen tijd heeft vandaag. Kutjohoho-ers! Op de mat valt de folder, die ik weer terug, naar buiten duw. De krakende sneeuw verraadt haar aftocht.

Ik kruip terug in bed. Na het filmpje De flamoes van Eva gekeken te hebben, heb ik zin in een Italiaans koffiepotje Bialetti mokka exprés, zonder suiker en met opgeklopte volle melk. De Bialetti begint te pruttelen. Naakt sta ik in de keuken en ruik de koffie. Ik besluit het keukenraam open te zetten om de naar de lucht te kijken. Ik zie een vlieger met een lange kleurige staart. Niets laat me denken over de vliegenier. Een geluid dat op het gekraak van de trap lijkt.

Het verontrust mij. Het is een bedwarme bednimf die voorbijflitst. Te laat, roept ze vanaf het toilet. Voor dat het pejoratieve woord eruit is, begin ik hard te zingen. Het fluffen sla ik vandaag over. De stortbak loopt leeg… (Eerst wordt de afvoerpijp van de stortbak geopend door aan de ketting met een keramische hand te trekken. De stortbak loopt leeg en met kracht wordt de pot schoongespoeld. Wanneer de stortbak leeg is, wordt de afvoerpijp automatisch weer gesloten en gaat er een kraan open waardoor de stortbak, met veel geluid, weer volstroomt. Is de bak vol met water, dan gaat de kraan weer, met een harde tik, automatisch dicht. Wanneer het water in de stortbak hetzelfde niveau heeft vóór de spoeling, kun je weer een normaal gesprek beginnen.)

Koffie is klaar, roep ik. Op de keukentafel liggen haar handen die ruiken naar sinaasappelzeep. Slaapdronken, dat speelt ze: weet je lieverd, toen ik je vanochtend aankeek, dacht ik dat je wakker was. Je had je ogen open. Vreemd! Ik heb je nog nooit iemand zien slapen met de ogen open. Je snurkte en brabbelde woordjes die ik niet kon verstaan. Ik heb je zachtjes in je zij geprikt, je werd stil en deed je je ogen dicht. Wat zag je? Ik zie zonder ogen van alles. Misschien meer dan met mijn ogen open. Zo God wil?

Maakt niet uit of je met je ogen open of dicht slaapt. Je ziet met of zonder open ogen net zoveel. Overdag dromen we ook met open ogen. Misschien slapen we wel overdag en zijn we ’s nachts wakker?

Buiten schijnt de zon. Een frisse warme wind dwarrelt naar binnen. De overbuurman maait het gras rond zijn zwembad. Het zwembadwater is blauwer dan Santonine-blauw. Het doet pijn aan m’n ogen.

Ik verlaat maar eens het bed.

Verbeteringen aangebracht 21 november 2021

@Robert Kruzdlo Rome Italië 2021

De chaos, &, ik en de flitsmijmeraar.

Tekening Robert Kruzdlo 1995 USA New York

Net zoals water, gas, elektriciteit en internet zonder enige inspanning in onze huizen worden binnengebracht -om aan onze behoeften te voldoen- zo komen ook, als wij dat willen, nauwelijks meer door een teken, een eenvoudige beweging van de hand, vanuit het brein, visuele en auditieve beelden binnen en zullen ze verschijnen en verdwijnen door een minimale inspanning, zonder persoonlijke inspanning van een IK.

Schreef Walter Benjamin in 1936 en in 2021 plakte Robert Kruzdlo er wat bij. 

…schrijf ik in een bericht aan Juan. Er is verder niemand in de bus. Het flitsmijmeren komt altijd als ik een reis met bus of trein maak. De duur van de reis is precies de hoeveelheid zand in de zandloper. Ik flitsmijmer door de kleinste opening van de zandloper en dat moment, kent geen tijd. (De afstand tussen aarde en mars verdwijnt met een zandkorrel.) Ik schrijf terwijl ik nietschrijf en de lezer leest wat ik héb geschreven. Onderwijl kijk ik naar de zee, waarop de zon ketst, flitsmijmer ik. Het zonlichtvernis kleurt de zee glasblank. 

Ik leef in drie dimensies tegelijk. Binnen, onder mijn schedel, buiten in de werkelijkheid & precies daar tussenin flietsmijmer ik. & is het teken voor de tussenmens. Ook dit schrijf ik aan Juan, die ergens met zijn door alcohol aangevreten kop op mij wacht. De hersenen van Juan werken niet meer zoals het hoort. Hij woont nu in Ierland, maar het maakt niet uit waar hij woont. Jaren geleden ontslagen als ziekenbroeder, na een reeks van therapieën om van de alcohol af te blijven, groepsgesprekken, valse beloftes, AA, opnieuw valse beloftes, in het bezemhok stiekem drinken, altijd met die valse grijns van hem beloven dat hij de andere kant zou opgaan, werden zijn filosofieën steeds valser, en kreeg huilbui na huilbui tot niemand, werkelijk niets in zijn huilbuien iets zag en hij in zijn post-alcoholische-verdriet uiteindelijk ontdekte dat ook al dronk hij niet, hij niet van de drank kon afblijven. Hij, Juan, was zonder dit bewust te zijn alcoholist, genetisch, misschien dat zijn overdreven huilbuien het verdriet van die ander in hem tot wanhoop bracht en hij in vreemde syntaxissen, paradoxen en drogredenen terecht is gekomen; drogredenen als: wie vrijheid zoekt kent geen vrijheid. Want waarom zou je de vrijheid zoeken als je er nog nooit van gehoord hebt flitsmijmer ik. (Ja deze zin klopt.) Die & van hem ga ik uitzoeken, zo flitsmijmer ik, want die & (de tussenmens) is een belangrijk gegeven en val in de bus weer in slaap. 

In mijn slaap schrijf ik ook. Boeken heb ik geschreven tijdens mijn slaap.

Gedichten, die schrijft Juan óók, zijn meer stellingen zonder antwoorden. Ik vind het versjes, ik vecht tegen gedichten omdat verzen standpunten innemen waarin de schrijver niet verder komt dan O…, en O ooo wat mooi. Is dit het lot van de dichter, versjes maker, die door één enkele poging om een versje te schrijven, want gedichten zijn het niet, door 80 miljoen neuronen in zijn hoofd rondbanjerend, flitsmijmeren,  gespuis van fysische fluimen, een taalmix uitstoten, een Ik & Mij, (We ben Ik,) Hij, …& en Ik en ga zo maar door; het chaotisch episch centrum van persoonlijke voornaamwoorden die de dichter in een vers stopt en tot bedaren moet brengen; is het dan zo flitsmijmer ik, is het dan een goed gedicht, vraag ik me in verwarring af als ik zojuist heb ontdekt dat ik dit met Juan wil bespreken, de onmogelijkheid om antwoord te krijgen? Op mijn telefoon typ ik deze tekst en zend die aan Juan. Juan wacht op mij, tenminste als hij het zich kan herinneren.

De bus raast en rijdt vlak langs ravijnen met haarspeldbochten. Ik moet niet meer op mijn telefoon kijken. Gedichten zijn haarspeldbochten, – schrijf ik later, ravijnen zonder bodem, dansend op grillige scherpe richels. De bergen glijden langzaam in donkere plooien, hoekige scheuren, plakken en keien, met gebeitelde zwart gestolde openingen, grotten, -de oren van de zee, waar de doden zingen. Bergen, die duizenden meters diep verdrinken en kilometers onder het zeeoppervlak weer gaan pieken en moeiteloos aan de andere kant van de oceaan boven water komen, oprijzen en weer dalen. 

Plotseling stopt de bus. De halte is leeg. Geen Juan. Hij reageert ook niet op mijn berichten. Ik twijfel en weet niet of ik hier zal uitstappen. Ik roep de buschauffeur dat hij moet stoppen. Krakend komt onder een oude wuivende palmboom de bus tot stilstand. In de schaduw van een hoog oprijzende granieten muur van waaruit hier en daar verlepte cactussen steken, zoek ik de schaduw op. Voor mij een afgrond en onzichtbaar hoor ik de herrie van de golven. De kruin van een citroenboom komt nog net boven de rand van de afgrond voor mij. In de lucht hangen meeuwen aan een zijden draadje. De zeewind kirt in de holte van de stenen: de dingen spreken tegen me in woorden die niemand begrijpt. De zon staat scheef aan de hemel. De horizon is krom en hoe groot de zee ook is, ik zie nergens een watersnor. Flits: Een wolk valt loodrecht uit de zee en zal later weer terugvallen in zee. In de goot ligt een hartenaas. Rollend gruis. Ik schrik en luister naar het gekrijs van staal, blik en glas. Griezelig. Een zwarte rookpluim schiet de lucht in. Het duizelt me als ik de weg overloop en over de kruin van de citroenboom beneden het groezelige sopwater van de zee zie. Ik heb het gevoel dat ik alles wat ik hier zie straks ga opschrijven in mijn hotelkamer. (Wat ik inmiddels gedaan heb.) Een gauwdief in mij steelt de zojuist opgeslagen herinneringen. 

Opschrijfboekje Flitsmijmeren bij de hand. Het leven gaat door op papier omdat de dingen dan anders spreken. Niet de taal van waarin ik mij bevind, waarvan ik alleen de taal begrijp. Naast mij vallen van de granieten wand stenen. Om niet te worden geraakt druk ik mijn rug tegen de vochtige, bemoste wand. Dan wordt het stil, behalve het geluid van een helikopter die nog ver weg is.

Ik ben ergens in het Spaanse Catalonië. Noord-oost Spanje. Onderweg bunkers en nog eens bunkers uit de tweede wereldoorlog, die herinneren aan de oorlog van de Catalanen tegen Franco. Alles is hier grijs en van steen, een cactus en zo af-en-toe een boom. Laag komt er een helikopter overvliegen.

‘God huilt tussen de sterren zwarte tranen,’ las ik in El Puge een Catalaanse krant die iemand had achtergelaten. Hij daar, jij ja, blijf maar, dacht ik toen ik het las. Na meer dan vijftienhonderdjaar schrijven valt er voor een denkend mens geen eer meer te behalen in deze wereld, schrijf ik nu, op mijn telefoon. Met onze huidige mensenkennis -een vlieg knalt tegen mijn schedel; is het wel een vlieg, zal de wereld huilen en zullen er meer tranen dan ooit tevoren vloeien als een tollende zandloper. We kunnen willen wat we willen, de Beëlzebub van mijn brein doet ’t toch. Maar is er dan nog hoop, dacht ik toen de reddingshelikopter vlak boven zee mijn kant opkwam en achter de granieten wand verdween. Jazeker, er is nog hoop, schrijf een gedichtje, versje of een boek, en dat geeft een hoop troost. 

De boer en zijn boerenland, de leraren en hun scholen, hogescholen, universiteiten, kortom, wie behouden wil wat hem lief heeft, deze edele mensen redden de wereld, dacht ik toen ik met mijn rug tegen de granieten, vochtige en bemoste wand stond. Het wordt donker. Ik sla de vlieg dood met de hartenaas die ik gevonden heb in de goot, -dat had ik niet moeten doen. Er zijn mensen die hieronder lijden. Marguerte Dumas schrijft: Alles om ons heen schrijft, je moet dat leren zien, alles schrijft, de vlieg, zij schrijft, op de muren, ze heeft heel wat afgeschreven… Ze zou een hele pagina kunnen vullen met wat de vlieg heeft volgeschreven. De vlieg zoekt stond op en vermeerdert zich, hij heeft zijn eigen taal, die we niet kennen, schrijf ik later in mijn hotel kamer. Het woord zee bijvoorbeeld, is de zee niet? De zee beschrijft zichzelf anders wel. Hoe? Dat ga ik hier uitzoeken, ik ben jong. Er vallen stenen naar beneden. De rookpluimen zijn verdwenen. Ik druk mijn rug steviger tegen de granieten wand. Hoeveel heb ik moeten vergeten, weg moeten cijferen om dit te schrijven?

Toen ik naar het lichaam van de man achter het stuur keek, die met een behoorlijke snelheid de haarspeldbochten nam, vanonder zijn pet rollen zweetdruppels, hij die af en toe in de spiegel naar mijn ik keek, – HIJ DAAR dacht ik: Hoe zal de buschauffeur mij beschrijven? De raamgordijntjes dansen als jurkjes aan weerszijden van de bus heen en weer. Hippiemeisjes flitsmijter ik. 

Voor het vertrek van de bus scheen de zon oogverblindend tussen de olijfbomen. De toen nog onbeschreven buschauffeur kwam met een peuk in zijn mond aanlopen, gooide die weg en klom in de bus. Als hij de motor start zie ik, herinner ik me op dat moment, de villa waar ik ben opgegroeid en in een flitsmijmer word ik op het schoolplein door een groep schoolkinderen geschopt; ik ruik overgrootmoeder en dan zonder aanleiding komt professor Grundschnabel, docent psychologie aan de universiteit, voorbij. Grundschnabel: hoe hij met zijn ontmaskeringstheorie de meisjesstudenten psychologie, die voor het eerst op zichzelf gaan wonen en zonder enige levenservaring hun spulletjes hadden geordend op hun kamer en met hun moeder nog even wat spulletjes voor de keuken, beddengoed, meubeltjes, bureauspulletjes, schoolgarderobe en nog wat spulletjes voor het fitnesscentrum hadden gekocht en die netjes hadden geïnstalleerd op hun kamertje, of een voorlopige plek hadden gegeven, gezellig toch!, en geheel onverwachts toch in een opgewonden crisis waren terechtgekomen, opzadelde met diepe zielsvragen, zij, de meisjes, zwijmelend dronken de eerste studentennacht in kroegen hadden doorgebracht, verpletterd overvallen werden door vragen uit hun kindertijd, trauma’s die verborgen hadden moeten blijven plotseling toch, als door de nauwste opening van de zandloper werden geperst, tot bewustzijn waren gekomen en dat die meisjes geheel in de war, met hun zojuist gekochte spulletjes, tussen de zojuist gekochte Ikea spulletjes, niet tot rust konden komen en eigenlijk niet de zojuist gekochte spulletjes hadden moeten aanschaffen. Van alles ging er na de eerste zuipnacht mis, het verleden kotsend door hun hoofd. 

Onderwijl ik stond te wachten op een seintje van de chauffeur moest ik aan die arme meisjes denken, de eerstejaarsstudenten waaraan in het begin van hun studiejaar niets viel af te zien dan dat ze gelukkig waren, en niet dat ze met hun gekochte Ikea spulletjes doodongelukkig konden worden en dat zij, hoe ze dat ook verhuld toonden in een diep droeve depressie waren terecht gekomen, net als de verzengende Spaanse zon die op zee schijnt, zij als bevroren spiegelwater, dacht ik toen ik dat een tijdje geleden heb opgeschreven, nu de hemeltergend flets en schaduwloos ineenstortten van de wereld. Ik kan het weten. Ik heb dit ook meegemaakt. Misbruik, huiselijk geweld, aan alcohol verslaafde ouders… Ik moest aan Thomas Bernhard denken, die schreef: ik wil nu niet aan herinnerd worden. Toch, …ik ril en zweet me weer een andere flashback. Zeker weet ik het niet, maar ik ben een beetje Thomas Bernhard. Ik ben pastiche.

Grundschnabel: emoties zijn onnodige termen in de wetenschap, had hij geschreven, wetenschappelijke beschrijvingen hebben niets met emotie of gevoel te maken…, had hij in de eerste college tegen de Ikea studentes gezegd. Het zijn curiositeiten die jullie bij je onderzoek achterwegen moeten laten. De Ikea meisjes verborgen zich eerst op de toilet en toen de nachtwaker ontdekte dat er nog een Ikea meisje op de toilet zat, heeft hij de politie gebeld. 

Grundschnabel stierf tijdens een safaritocht in Afrika. Oké, geloof me, zijn laatste woorden waren: ik geef me over. De universiteit eerde hem met een uitvaartdienst – ik heb nog nooit zoveel tranen in traangeulen van hun gelaten zien vloeien, emotie en gevoelige toespraken gehoord als de kerk van het Doorboorde Heilige Hart waar Grundschnabel lag opgebaard. Stuk voor stuk gevoelige mensen allemaal, die wetenschappers…? 

Wetenschappers vergroten de ellende in de wereld flitsmijmer ik en wacht op een seintje van de buschauffeur? Wetenschappers maken alles erger dan het al is, ze analyseren alles stuk en dat om feiten aan het licht te brengen? Welke feiten? Die van de eerstejaars Ikea meisjes en -jongens? We staan machteloos tegen de wereld, de natuur, het heelal en zullen eens net als de bergen vergruizen ondergaan tot op de bodem van de zee. Dit en nog veel meer flitsmijmerde ik met de rug tegen de granieten wand.

De buschauffeur vraagt schreeuwend met een bezweet gezicht waar ik wil uitstappen. ‘Bij het pompstation Selva,’ roep ik zo hard ik kan, want op dat moment trapt hij op het gaspedaal. Selva, dan moet ik omrijden en dat scheelt mij een kop koffie. Ik schreeuw nijdig terug: Héé por favor… Selva,’ en word wakker.

Ja, ja, ik hoor je wel, zegt de buschauffeur kijkend in zijn achteruitspiegel. 

Ik kijk naar zijn lachende schouders en realiseer me dat ik een tijdje heb zitten slapen.

Ik kijk op mijn telefoon. Juan zegt dat hij er al is. Ik tik een versje naar hem:

wil

ik kan 

willen 

wat ik wil

wat de 

wil wil

doet zonder

mij & ik 

toch wel

zelfs als ik & hij droom 

blijft het zus & zo gewoon

wil

Selva. Als de bus voor het pompstation tot stilstand komt stap ik in het opwaaiend stof. Niemand? Verderop onder een menshoge cactus een bankje, passend in het landschap, herken ik meteen Juan. De deuren van de bus gaan met een hevige klap dicht. De buschauffeur toetert en ik zie nog net hoe hij met zijn schouders schudt. Ik word door de vertrekkende bus onder stof en gruis bedolven. Juan wipt van het bankje en komt op mij af lopen.

Bij het benzinepompstation, in café Tallat, is het druk. Ik ben nieuwsgierig hoe het er van binnen uit zal zien: hetzelfde interieur, dezelfde mensen en dezelfde bedienster, mevrouw LLuciana? Twee jaar geleden was ik hier voor het eerst op vakantie.

Als ik achter Juan de cafédeur loslaat, die automatisch in het slot valt, verstommen de gesprekken van de kaartspelers die in het midden van het café aan een ronde tafel zitten. Alles is nieuw voor me, de sfeer en de mannen. Ze zijn verbluft als ik naast hun sta. Ik herken de oude mannen die altijd met dezelfde kleren door het leven gaan. Maar herkennen ze mij? Te verlegen om iemand gedag te zeggen zoek ik een plaats ver bij hen vandaan. Plotseling roept de grootste van de kaartspelende mannen, herkent hij mij? – een Francofiele Spanjaard Heil Hitler, niemand die op de doerak reageert. De kaarten kletsen harder op tafel, er wordt openlijk en hard gevloekt en, scheldend worden de kaarten opnieuw gedeeld. Er wordt zonder onderbreking gefluisterd, gesnoven en weer roept de hij Heil Hitler. Juan komt met grote passen op mij aflopen en verontschuldigt zich: een glas witte wijn en olijven, zegt hij en gaat met zijn rug naar de mannen toe zitten alsof hij door een enorme muur afgeschermd wil worden. Een van de mannen raapt een hartenaas van de vloer. Ik zeg niets. Door het verlies van de hartenaas in het spel, moet het kaartspel over, zegt de Francofiel. Iedereen heeft vals gespeeld, zegt hij en haalt met een potlood een dikke streep door de getallen die in een schriftje staan genoteerd. Juan kijkt mij aan en aan zijn ogen te zien is hem niets ontgaan. Of toch?

Brein & wereld, 1.2.3. ik kan alleen toekijken. Die & ben ik, hij, wij en het brein, ja alles is brein.

@Robert Kruzdlo Korte verhalen 2021