De Parakleet.

De parakleet Robert Kruzdlo 1955

Moeder zit verlaten en gebogen voor de brandende kachel. In haar ene hand een koperen pook en in de andere een peuk. Haar armen rusten op haar knieën. Witte handen die in het licht van de het vuur flakkeren. Handen die veel doorstaan hebben. Lege handen, nu. Achter haar rijen wasgoed, hemden, onderbroeken, handdoeken, damesverband en washandjes. Onafgebroken rookt ze met de hand gerolde sigaretten die bij het inhaleren fel oplichten; na een paar seconden verlaat de sigarettenrook tegelijk neus en mond. Vanuit de bijkeuken, de enige verwarmde ruimte van de villa, is de besneeuwde tuin, het hellingbos en het verlaten landschap te zien. Rein als een verbleekte foto. Het condenswater ligt bevroren op de vensterbank. Om haar schouders heeft ze een deken geslagen. Ze heeft het altijd koud, blijft ze zeggen.

Soms, in een flits, komt uit moeders oren rook. 

Liefde moet ergens zijn, maar waar: in het mortuarium? Moeder wil niet weten hoeveel ik van haar houd. Het is koud, zegt ze steeds. Ze zal in razernij geraken als ik tóch tegen haar zou zeggen: moeder ik houd van u. Nu weet ik het niet meer. Wat betekent liefde? Liefde eindigt in pijn en verdriet. Ze kamt haar haar niet meer. Uit haar sloffen steken haar tenen.

Sta je daar nu weer.

Moeder zit in een zelfkastijdenkooi die onzichtbare tralies heeft. Alles wordt om haar heen gesmoord en verteerd door de stilte. Alleen het roezemoes van de brandende eierkolen is te horen: vuur haar enige troost. Het lijkt allemaal zo gewoon. Er is niets te redden dan wat nu is. Het nu. Stilte. Weinig woorden die geen vlees worden. Durf haar niet meer aan te spreken over mijn heimwee?

Wat sta je daar nu?

In deze vochtige bijkeuken beoordelen wij elkaar onophoudelijk verkeerd. Het bewustzijn heeft zich verstopt. Metafysisch hebben de woorden geen enkele nut. Haar schaduw, de schaduw van de was, gaat boven de metafysica uit. Daarom kijkt moeder naar de vlammenzee. Ze ziet haar onsterfelijkheid. 

Mentaal heeft zij zich afgekeerd van de wereld. De wereld om haar heen stelt niets voor. Ze is klaar. Vandaag is de laatste dag. Vandaag vertrek ik met overgrootmoeder en oma An naar Zeeland. Domburg, aan de voet van een hoge duin. De Hoge Hill. Er is ook een bos, tuin, en een lagere school.

Sta daar niet zo, wil je.

Robert Kruzdlo 2021 Novelle De Parakleet. (Begin.)

Wandeling

zomers pluk ik blaadjes

halm en een paardenbloem

zinkt moeder zwijgend

moe in de schaduw 

onder een mijmerlaar 

ligt het bot en

denkend aan de oorlog

komt

van de dalbeek koel

gebogen bries op 

fluisterende hoogte

waarom zijn we hier

oorlog hoor soldaten 

stemmen soldaten

waarom waren jullie hier

kruipt avondrood

achter de horizon

omdat jullie hier zijn

Robert Kruzdlo 2021

Mango sneeuw

De villa

In 1955 was ik een meter en tien centimeter groot. Ik droeg witte versleten meisjes lakschoenen, Peter lederhose, gerafelde Hollandse boeren wollen trui en een te grote Ruderleiber. Mijn tenen, tegen de voorkant van de schoenen, deden pijn. Ik had één paar schoenen. De winter was op haar hoogtepunt. Zwartbruine ogen, een witte huid en magere benen met uitstekende knieën. Het skelet van een saruskraanvogel. Er worgde in mijn buik een honger. Ik was meer dood dan levend. 

Thuis werd nooit over honger gesproken. Het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog dat was erg. De ‘honger verschrikkingen’ van Afrika, nog erger. De derde wereldoorlog kon elk moment uitbreken. “Ik was nog niet zó mager.” Mijn ribbenkast een wasbord. Niemand had geld voor suiker. De laatste kip werd geslacht. Kijk, hij loopt terug naar zijn hok, zei overgrootmoeder. Sindsdien droom ik dat ik tot de onthoofden hoor. Mijn moordenaars gaven mij levertraan. Drie maal per dag een eetlepel. Ik kreeg aarswormen. Later bleek het iets anders te zijn.

Op ieders gezicht stond niet nieuws. Elke dag hetzelfde gelaat. Elke nieuwe rimpeling was verraad van een nieuwe emotie. Een bokkig groepje waren wij. De deurbel was uitgezet. Stel, dat de bakker onder het meel, om zijn centen komt. In het achterhuis werd gedempt gesproken. Op de vensters groeiden ijsbloemen. De achterdeur klemde. De kolen raakten op. ’S nachts bevroor mijn deken en langzaam groeiden de ijsbloemen naar binnen. Op het zeil lag ochtendrijp. 

Ik wilde niet meer groeien.

Je ziet er uit, zei oma An schamper, als een Duits kindsoldaat dat gister uit de loopgraven van de Siegfriedlinie is komen aanwandelen. Toen het water kookte, riep ze, en nu in bad. Het was zo koud in de bijkeuken dat alle planten ineenkrompen.

Als een vliegtuig over de villa vloog dan was dat een teken dat de Duitsers opnieuw in aantocht waren. Als het onweerde dan leek het op een bombardement van de Amerikanen. Vergissing? Bliksemde het, dan was het ongeveer hetzelfde als een spervuur van de vijand en als je honger had moest je de beelden van de concentratiekampen voor ogen nemen. Wie honger heeft, leert het eten kennen. An had een fotoboek van de oorlog. We leefden op rantsoen alsof de oorlog nooit was verdwenen. De schimmel op het brood werd aan de vogels gegeven.  

Ik dronk het cynisme uit de beker van smart. Al deze connotaties deden mij niets. Ik was te jong om in de verbeeldingen van de vrouwen te geloven. Ik voelde mij eerder slachtoffer van een kleine oorlog die in de villa woede. Een strijd tussen vrouwen. Och, ik wist dat hun beeldende voorstellingen niet klopten. Hoe dat kwam, wist ik niet. De visolie raakte op. 

Op het land groeide weinig. De percelen die eindigden aan het rand van het bos waren het veiligst. Voor ik uit het struweel sprong had ik alles goed opgenomen. Precies zoals ik gelezen had in cowboy- en indianenboeken. Wat eetbaar was verzamelde ik. Kool, spruitjes, peen en noten uit het bos. Zonder wormgaatjes. Ik nam en dat was géén stelen. Overgrootmoeder huilde.  

Het was een dag voor kerst. Op mijn zwart krullend haar lag sneeuw. De sneeuw rook naar mango. Ik wandelde langs de huizen en om een kerstboom te zien hield ik even halt. De gordijnen werden gesloten. Iemand wenkte dat ik moest doorlopen. Met knikkende knieën kwam ik thuis. Een pak suiker en een rondbrood. Waar is het wisselgeld, vroeg overgrootmoeder. De bakker heeft het niet gegeven, zei ik verlegen. Moeder pakt de kachelpook en wil de straat op. An houdt haar tegen. Ik krijg de vleugeltjes van de kip. De botjes maal ik tussen mijn tanden net zo lang tot ik het doorslik. Ik drink een groot glas water.

Bij de buur schommelt een kind onder de mamoetplataan. Ze heeft een dikke jas aan, een das en een muts op. Knalrood, dikke wol. Ik zie haar ogen niet. Onder de mamoetplataan staat een kleine woning en er brand achter alle ramen licht. Het licht weerkaatst op de enorme stam van de boom. De kroon van de mammoetplataan lijkt op verkoolde mensen. Hun vuisten steken in de lucht. De schaduw maakt het kind onstoffelijk. Sterren aan de hemel. Ik krab het ijs van de ruit. Dat ziet het kind.

Het kind, op deze afstand, zal het niet snappen. Achter een van de vensters huilt het kind. De natuur blijft onbeweeglijk. Onder de oksel van de mamoetplataan, beweegt tijdloos de schommel. Tot ook overal de lichten uitgaan. De kerstboom brandt. Het kind wordt overladen met geschenken. 

De lucht wordt donkerder, in het dal gloort de blauwe lucht nog na. Ik kan miljoen vierkante kilometer probleemloos overzien. Mijn hersens hadden dezelfde inhoud als mijn omgeving. Het is zo stil dat elke ademhaling van mij te horen is. Ik tuur naar de kerstboom. Mijn vingers plakken aan het ijs op de vensterbank. Het kind trekt een roze lint van een doos.

Gister, …was het alsof ik boven de aarde zweefde. Om zo snel mogelijk uit het zicht te raken hol ik met mijn korte beentjes door de velden naar het bos terug. De heuvel op. Over de nat gesneeuwde bospaden, bang om gezien te worden. De berkenbomen roken naar citroen. Terug, waar de vrouwen op mij wachtten, huilt overgrootmoeder. Iemand trekt het gordijn dicht. 

In de zomer had ik door onkruid overwoekerd stukje tuin omgespit, naast de bloeiende seringen. Vanuit de villa was ik niet zichtbaar. In mijn aarde groeide de jonge bloemkoolscheuten, tomaten en bonen. Met het water uit de regenton gaf ik de jonge loten water. Minutenlang kon ik gebiologeerd naar de kleine plantjes te kijken. Jij bent de schepper van de natuur, zei een stem in mij. Op een dag was de bloemkool groot genoeg. Ik was gelukkig. 

Met de bloemkool liep ik trots de keuken binnen. De vrouwen  waren boos, straf kreeg ik niet. Ze speelden het met verve. De bloemkool werd opgezet. Twee sneden brood en bloemkoolsoep. Ik at, bad en liep tevreden naar mijn kamer. Op mijn bed gelegen las ik het boek Arendsoog.

Plotseling stond er een man in de keuken. Moeders vriend. Zojuist aangekomen uit Duitsland. Oma An blij want ze was gek op blonde Germanen. Ze sprak goed Duits en ik kreeg om het bezoek te behagen, Duitse les. De provisiekast werd gevuld. Bier en jenever stonden opnieuw op de planken van de kelder. De Duitser had het allemaal voor moeder en ons over. Hij zei, dat ik weer zal groeien. De kelder lag vol kolen en de bakker was tevreden. Moeder kwam dagen haar kamer niet uit. 

Ik kreeg een compliment omdat ik een Peter lederhose droeg. Cadeau van An. Gekocht in Wenen.

Geen mensenmin. In de villa Het Huis heerste een gelaten stemming. In de tronies van de vrouwen kwamen nieuwe plooien, de strakke lippen ontspanden, de theekleurige ogen van moeder schitterden soms. De dames begonnen aan de drank. Meer mensen kwamen langs. Iedereen was er na een lange tijd van absentie: de krantenjongen een lilliputter, stelletje tantes, boer Aflaat en de leraar van de lagere school. Zelfs de pastoor kwam een glaasje meedrinken. Ik was een kop groter dan de lilliputter. 

De blonde Duitser,  met hoge jukbeenderen, droeg een insigne. Een ‘spiegelei’ werd gezegd. Iedereen moest er om lachen. Het werd ons vergeven. De villa was warm en in de kerstboom gloeiden lampjes. Moeder zetten de Bolero op en haalde de castagnetten te voorschijn.

Pas in de vroege ochtend werd het stil in de villa. Een dikke pak sneeuw maakte alles eender. Klein of groot. Zelfs de mammoetplataan lag verborgen onder de ‘geur van mango-sneeuw’. De sneeuw had alle details uitgewist. Het was zo stil, dat ik een sneeuwvlok hoorde vallen. 

@roebert kruzdlo 2021

Bijna een eigen theater!

Foto Robert Kruzdlo The Main Theater 2016 USA

Nabokov: ‘I think that in a work of art there is a kind of merging between the two things, between the precision of poetry and the excitement of pure science.’

Jaren geleden wilde ik een theater kopen. De aanbetaling was gedaan, alleen ik kreeg het niet voor elkaar om er het gehele jaar te wonen. Hooguit negen maanden had de ambtenaar van Main USA gezegd. Een nors en onbuigzaam mannentje. (Ik heb hierover op de ‘Volkskrantblog’ al geschreven.) Er moesten een aantal aanpassingen gedaan worden, bijvoorbeeld: in plaats van in een bak met zaagsel te schijten en te pissen moest er een modern toilet gebouwd worden. 

Met dit theater wilde ik een oude droom verwezenlijken. Het theater van de mededogen. De onzin-zin van theater. Hoe dit er precies zou gaan uitzien hing af van de groep die er deel van wilde uitmaken. Niet ver van de plek waar dit theater stond, een gehucht van enkele huizen, was een stad. In die stad was ook een theater te koop. Modern, groots en van voor de tweede wereldoorlog. In die stad woonden mensen die graag theater wilde spelen. Het groepje was niet groot, maar het waren jonge mensen die van plan waren iets anders te spelen dan zeg maar het toneel van Peter Handke in de tachtiger jaren. Het moest nog moderner.

Ik had ervaring met het Witte Cirkus. Als schrijver en regisseur van de groep Witte Cirkus wist ik wat ik wilde. (Groep bestond uit studenten theater, -dans, -kleinkunst, academie-schilders en -beeldhouwers en postmoderne schrijvers, die allemaal naar mij luisterden. (1975-1980)

In Amerika wilde ik iets totaals anders. Ik wilde het ‘Theater van mededogen’ dat over het Amerika van de ondergang moest gaan en de plicht in te zien hoe zij miljoenen Indianen en Afrikanen hebben vermoord en hoe, daar om heen, kunst is gemaakt. Een theater waar de Amerikaan zichzelf moet spelen. Het is niet doorgegaan.

Ik kreeg mijn aanbetaling terug en als ik ergens weer een leeg theater zie, begint het van binnen te smeulen als een vulkaan die op uitbarsten staat.

Nabokov heeft eens gezegd dat literatuur (of kunst) bestaat uit schoonheid plus mededogen: ‘Beauty plus pity – that is the closest we can get to a definition of art. Where there is beauty there is pity for the simple reason that beauty must die: beauty always dies, the manner dies with the matter, the world dies with the individual.

Beste Smierdijk,

Robert Kruzdlo 1987 Alice.

Dank voor je brief. Ik ben de laatste dagen opzoek naar de zin van het leven. Alles is lelijk, de wereld schudt in zijn voegen. Een poging van een groep Zuid-Molukkers om koningin Juliana te gijzelen is verijdeld. Mijn vader zit nog in Cambodja. Autogordel wordt verplicht en ik denk dat de derde wereldoorlog ophanden is.

Als ik over mijn leven, de ellendige maanden op de kermis wil gaan schrijven, dan zou je denken dat de herinneringen echt zijn. Maar val dood…, dat zijn herinneringen niet. Als ik achter de computer ga zitten en alles wat ik mij herinner wil opschrijven, — komt wat komt — ga ik vol goede moed aan de slag. Mijn brein, afzonderlijk van mijn ik, geeft wat het wil geven en van het ene op het andere moment gaan we weer uit elkaar. Opflakkerend in een flow, dwalend, afdwalend komen de herinneringen en verdwijnen ze ook weer als sneeuw voor de zon.

‘Kan ik dit verhaal chronologisch vertellen’, zo vraag ik mij steeds af. De herinneringen gaan van de hak op de tak.

Terugdenkend naar juli 1962 hoor ik nog altijd de regen tikken op het dak van de oude brandweerauto, de geur van ozon, de aarde met zijn sappige bladeren: ik deed mijn behoeften tussen de bosjes. Ook deze stad, een grijze stad en straten, en mensen hun bleke gezichten, stemden mij droevig.

Alles wat op en rond de kermis gebeurde, viel te beurt aan een nu. Nooit had ik heimwee naar huis, naar mijn moeder. Moeder, die mij aan een wildvreemde man met scheve mond overgedragen had, heeft nooit spijt getoond en ik kon er met haar niet over praten. Deze geschiedenis overrompelt mij steeds weer.

En toen kwam Alice, met de rode wangen, glinsterende ogen, het jonge meisje met glinsterende ogen, krullippen; kermis actrice. Ze trad op in de kermis attractie ‘Wonderland’: het meisje dat van klein, groter wordt en van groot, kleiner wordt. Een ingenieuze gelijktijdigheid, een kermistruc die ik nooit begrepen heb. Haar ogen hadden veel weg van mijn moeders ogen: doordringend als het oog van de vlinder Hipparchia. Alice, een intelligente veertienjarig meisje, ‘vrouwkind’, zat op de ‘rijdende kermisschool.

Op een avond kwam ze onuitgenodigd bij mij in bed liggen. Vurig duwde zij haar tong in mijn mond en zonder iets te zeggen, ritste zij tegelijk mijn gulp open en bond haar meisjesmond om mijn piemel. Ik kwam meteen klaar; maakte zich los en spreidde haar benen. Alsof ik naar een kruin van haar keek, opende zich een roze gat, bedekt met een laagje witsel en druppelde witte tranen naar haar anus; een gat met rullige bladeren van vlees, met in het midden boven, een tuitje dat op een piemel leek. Vochtig, maanlicht achtige glans. Hét donkere gat rook naar zuurvlees. Diskreet draaide ik mij om. Ik schrok hevig toen Alice, mijn hoofd met beide handen omklemde. Misschien verpestte ik alles als ik niet meewerkte? Maar de geur en het idee dat ik uit zoiets geboren ben, maakte het niet biologisch aantrekkelijk dat zij, mijn neus krachtig tegen hét gat duwde: ‘Tongzoen mij hier, in mijn gat’, klonk het sonoor.

Ik kon niets terugzeggen en besloot kokhalzend mijn tong in hét gat te steken. De fysieke kwelling van een ‘vrouwkind’, bracht naast het genot wat zij bood, bij mij later een castratie angst teweeg: sindsdien droom ik als slachtoffer, vaak dat ik mijn piemel verlies, opraap en weer aansluit aan mijn scrotum. 

Alice, gaf mij, nog een paar avonden ellendig genot. En boeken. In die tijd las ik Darwin en een boekje over het Oog; hoe werkt het oog fysisch-neuraal. En dat in 1962? Alice, gaf mij De Vreemdeling van Camus, De jongeling van Dostojevski, De liefde van Bob en Daphne van Aalberse en nog een paar boeken waarvan ik de titel vergeten ben. Ik herinner mij: ‘Hij streelde haar gezicht en hals met zijn vingertoppen en zei met een zucht: ‘Domme gedachten warrelen door mijn hoofd….’ 

Ook oude schoolboeken Nederlandse taal. 

Mijn leven was toen alleen maar warrelen, wegdromen, lezen en in de schiettent werken, gerund door een man met een scheve mond. Al begreep ik niet alles, er was een nu en dat was genoeg. Deze herinnering helpt mij om de geschiedenis van KERMIS te schrijven.

Natuurlijk, zoals je ergens schrijft, begrijp ik dat het leven uit ‘lust en onlust’ bestaat. Tussen herkennen van lust en onlust, gevoelens die ik zelf niet gekozen heb, daartussen moet ik zoeken wie ik was, ben en wordt. Toch mislukt dit zoeken, het zelf vind ik niet. Eigenlijk vind ik het nu allemaal onzin. Zinvolle onzin. Herinneringen, nooit zijn wat ze waren. 

Het nu van toen, en, 

het nu; dat wat was en is,

is de vraag.

Het bestaan,

het nobele om te lijden,

tussen lust en onlust,

tussen

daar en hier zal ik nooit

mijzelf vinden.

Het echte zoeken kwam maar niet,

het smoorde steeds.

Wanhopig werd ik nooit.

Ik ben nog steeds in leven,

op de baren van wilde zeeën,

het schuim van het gevoel.

Het nu van toen, het nu, dat

is de vraag

Wat toen gebeurde, blijft alleen een fond, een bouillon van getrokken gebeurtenissen over. De lust en onlust, waarmee het brein het hele leven mee speelt. De enige plaats waar de mens zich herkent en nooit een balans in zal vinden.

‘Ik’ herinner niets, maar mijn ‘brein’ herinnert; het dwarrelt als briesje tussen de jonge twijgen van nu, en fluit nieuwe herinneringen over toen. Woorden vol onlust en lust. 

Ik moet niets hebben van gereformeerde taalkunst. Daarin heb je mij altijd in gesteund. 

’Een ander was ik, noch ken ik mij’, schreef Fernando Pessoa.

Altijd een nu. Een nu van toen.

Brief aan de uitgever.

Louvre Paris verminkt beeld van Apollo.

Er is alleen een NU.

Geachte heer J. Spil,*

Als ik over mijn leven, de ellendige maanden op de kermis wil gaan schrijven, dan zou je denken dat de herinneringen echt zijn. Maar val dood…, dat zijn herinneringen niet. Als ik achter de computer ga zitten en alles wat ik mij herinner wil opschrijven, — komt wat er komen mag — ga ik vol goede moed aan de slag. Mijn brein, afzonderlijk van mijn ik, geeft wat het wil geven. Opflakkerend in een flow, dwalend, afdwalend komen de herinneringen en verdwijnen ze ook weer als sneeuw voor de zon. Van het ene op het andere moment gaan we ook weer uit elkaar. Dit kun je niet chronologisch vertellen. De herinneringen gaan van de hak op de tak. Ook ik houd niet van gereformeerde taalkunst.‘Een ander was ik, noch ken ik mij’, schreef Fernando Pessoa. 

Terugdenkend naar juli 1962 hoor ik nog altijd de regen tikken op het dak van de oude brandweerauto, de geur van ozon, de aarde met zijn sappige bladeren: ik deed mijn behoeften tussen de bosjes. De grijze stad en straten, en mensen, stemden mij droevig. En Alice, had rode wangen, glinsterende ogen. 

Alice, het toen jonge meisje met glinsterende ogen, krullippen, was kermis actrice en trad op in de kermis attractie ‘Wonderland’: het meisje dat van klein, groter wordt en van groot, kleiner wordt. Een ingenieuze gelijktijdigheid, een kermistruc die ik nooit begrepen heb. Haar ogen hadden veel weg van mijn moeders ogen: doordringend als het oog van de vlinder Hipparchia. Alice, hoogintelligente veertienjarige zat op de ‘rijdende kermisschool’.

Op een avond kwam ze onuitgenodigd bij mij in bed liggen. Vurig duwde zij haar tong in mijn mond en zonder iets te zeggen, ritste zij tegelijk mijn gulp open en bond haar meisjesmond om mijn piemel. Ik kwam meteen klaar. Ze maakte zich los en spreidde haar benen. Alsof ik naar een kruin van haar keek, opende zich een roze gat, bedekt met een laagje witsel en druppelde witte tranen naar haar anus; een gat met rullige bladeren van vlees, met in het midden boven, een tuitje dat op een piemel leek. Vochtig, maanlicht achtig glans. Hét donkere gat rook naar zuurvlees. Diskreet draaide ik mij om. Ik schrok hevig toen Alice, mijn hoofd met beide handen omklemde. Misschien verpestte ik alles als ik niet meewerkte? Maar de geur en het idee dat ik uit zoiets geboren ben, maakte het niet biologisch aantrekkelijk dat zij, mijn neus krachtig tegen hét gat duwde: ‘Tongzoen mij hier, in het gat’, klonk het sonoor.

Ik kon niets terugzeggen en besloot kokhalzend mijn tong in hét gat te steken. De fysieke kwelling van een jonge vrouw, dat naast het genot wat zij bood, later, bij mij een castratie angst teweegbracht: sindsdien droom ik vaak dat ik mijn piemel verlies, opraap en weer aansluit aan mijn scrotum. 

Alles wat op en rond de kermis gebeurde, viel te beurt aan een nu. De geschiedenis overrompelt mij weer, het toen van het nu. Nooit had ik heimwee naar huis, naar mijn moeder die mij aan een wildvreemde man met scheve mond overgedragen had.

Toen las ik Darwin en een boekje over het Oog; hoe werkt het oog fysisch-neuraal. En dat in 1962? Alice, gaf mij, naar nog een paar avonden ellendig genot, en boeken: De Vreemdeling van Camus, De jongeling van Dostojevski, De liefde van Bob en Daphne van Aalberse en nog een paar boeken waarvan ik de titel vergeten ben. Ik herinner mij: ‘Hij streelde haar gezicht en hals met zijn vingertoppen en zei met een zucht: ‘Domme gedachten warrelen door mijn hoofd….’ 

Ook oude schoolboeken over Nederlandse taal. Mijn leven toen was alleen maar warrelen, wegdromen, lezen en in de schiettent werken, gerund door een man met een scheve mond. Al begreep ik niet alles, er was een nu en dat was genoeg. Deze herinnering helpt mij om de geschiedenis van KERMIS te schrijven. 

Eigenlijk vind ik het nu allemaal onzin. Zinvolle onzin. Herinneringen opschrijven zijn nooit dat wat ze waren. Het nu van toen en het nu. Dat wat toen gebeurde daar blijft alleen een fond van over, een bouillon van getrokken gebeurtenissen waar het brein mee speelt. Toen en nu. Ik herinner niets, maar mijn brein herinnert; het dwarrelt als briesje tussen de jonge twijgen van nu, en fluit nieuwe herinneringen. 

Altijd een nu. Een nu van toen.

*J. Spil is helaas overleden aan een hoge dosis QAnon syndroom. Waar mystiek en spiritualiteit verworden zijn tot het narcisme van een pre-oedipaal bewustzijn, nep-spiritualiteit, leven in een schijnwerkelijkheid van onophoudelijk valsheid in geschriften werden zijn ogen op een dag geopend door een helder moment, een openbaring. Wat restte was niet verder te leven op de verdorde aarde – hij leefde op de puinhopen van zijn eigen leven, de ruïnes van zijn verleden: the desert of real. Hij stapte uit het leven door in de Ierse zee te stappen; door diep adem te halen en, zo wordt beweerd, heeft hij nog nooit zo’n stille ervaring van verlichting en spiritualiteit meegemaakt. (Zo berichten zijn vrouw aan mij op 12-04-2024.)

Sánchez gaat morgen 15 september 2021 praten met een verdeeld Catalonië.

In de Verenigde Staten oordeelde het Hooggerechtshof van Alaska in 2006 dat “staatsafscheiding duidelijk ongrondwettelijk is en daarom is een referendum hierover ongepast”.

Vraag: Is de Verenigde Staten een ondemocratisch land?

In Italië vernietigde het Italiaanse Grondwettelijk Hof in 2015 een wet van het parlement van Veneto om een ​​referendum over zelfbeschikking uit te roepen (toen de ‘independantisten‘ 60% van de stemmen hadden). 

Vraag: Is Italië een antidemocratisch land?

Beieren in Duitsland. Het Duitse Hoge Grondwettelijk Hof heeft in januari 2017 een beroep om een ​​onafhankelijkheidsreferendum uit te roepen niet geaccepteerd. Het Grondwettelijk Hof concludeert dat noch Beieren, noch een van de andere Duitse deelstaten zelfbeschikkingsoverleg kan houden

Vraag: Is Duitsland een ondemocratisch land?

Dit is een reactie van iemand. Zoals ik al eerder schreef is de politiek in Catalonië verdeelt. Dat is in de aard van het beestje: Een groot deel van de ‘independantisten‘ hebben in mijn ogen het QAnon virus opgelopen: geheimen plannen van de Spaanse regering, beschadigen van de cultuur Catalonië, en zonder enig bewijs roepen dat 80 procent voor afhankelijkheid is.

Vraag: Is de centrale regering van Spanje ondemocratisch? Ja, …als ze toegeven aan de wens van een onafhankelijk Catalonië.

Altijd gelijk hebben onder invloed van de QAnon koorts. Tekening Robert Kruzdlo 2021.

Informatie La Vanguardia.

Republiekdroom spat uiteen.

Ex-president Catalonië QuimTorra. Foto Robert Kruzdlo 2019

Cécar Frontera Vebal, vertelde mij gisteravond hoe het nu echt is gesteld met Catalonië en hun onafhankelijkheids droom. In het kort:

48 procent van de politieke partijen wil onafhankelijkheid.

28 procent van de kiezers wil streven naar onafhankelijkheid.

51 procent is tegen en slechts 48 procent hebben bij de laatste verkiezingen gestemd. De droom van een onafhankelijk Catalonië is voorbij.

Vebal, uit Sevilla is historicus en zoals hij en ik weten, valt het ‘kiezersblok’ dat vóór een onafhankelijk Catalonië is, uiteen. (Weer?)

‘Dat was in 1937 al zo, toen schoten de verschillende politieke georiënteerde Catalanen elkaar op de Ramblas dood. Het is nu niet anders, alleen is het nu met woorden.

Voor Quim Torra en anderen is dit geen leuk beeld. Maar hun standvastigheid heeft een biologische basis: de soort in stand houden en niet een samenleving ideaal.

Wat in 1937 tijdens de laatste dagen van de burgeroorlog gebeurde, zegt veel: 28 procent wil los van Spanje en de ander kan de pest krijgen.

Catalanen die voor onafhankelijkheid zijn, zijn de Donquichot in Spanje.

@Robert Kruzdlo 2021 September Andalusia. 

Nalezen op La Vanguardia: https://www-lavanguardia-com.translate.goog/politica/20210912/7714906/espejismo-mayoria-independentista.html?_x_tr_sl=auto&_x_tr_tl=nl&_x_tr_hl=nl&_x_tr_pto=ajax,nv,elem