Mijn eerste ballettijd 1955

In de bijkeuken was langzaam het rumoer afgenomen. Onder het plafond rond de bruine perkamenten lamp, waaraan vliegentrips vol vliegen hingen, dreef steeds lager de sigarettenrook. Plotseling viel een lange stilte; iedereen rond de keukentafel wachtte op iets, maar wat? Het niets? En dus dan maar de glazen bijvullen, een nieuwe sigaret draaien, tot iemand plotseling riep of een raam open kon, — het gezelschap bestond uit drie dames en één heer: smal gelaat, rond brillentje, verlegen, ongeschoren bleke strakke wangen als violen — of er nog bier was en of iemand wist waar de advocaat was, toen werd het weer stil en was de staande klok in de gang weer te horen; iemand lachte en met een opgewekte vrouwen stem: roep de kinderen, laat ze een balletje dansen. Dat vond iedereen een goed idee. Het rumoer nam weer toe, moeder haast zich naar de keuken en opende de keukendeur, om, met een ietsje ordinaire stem de twee kinderen te roepen die, op de divan in de voorkamer in slaap waren gevallen. Het was een heldere nacht vol sterren, misschien dat daardoor de dames een beetje vruchtbaarder waren want de enige heer moest het keer op keer ontgelden: waarom trouwt u niet, u heeft toch genoeg geld en een Vauxhall Velox, terwijl ik, zei moeder die in haar handen twee pluche tafelkleden had, ik in een Isetta BMW drie wielen rondrijd. De man werd er verlegen en deed een verzoek of hij van de toilet gebruik mocht maken? Ga je buiten niet pissen, zei een van de dames die teut begon te worden.

Je moet optreden, zei hij toen ik hem op de gang tegenkwam, roep ook je zus.

Ter afleiding moesten wij ons weer eens, half slapend, in onze balletpakjes frommelen; waren wat duizelig van de slaap en zagen de wereld maar half zo rein om onze pyjama’s te ruilen voor balletpakjes. De man schreeuwde om toiletpapier. Moeder bracht de Limburger en een fluitketel water. Tante Satijn glunderde — we noemen haar tante, maar dat was ze niet — er stond iets te gebeuren wat haar zeer amuseerde, ze glunderde door haar aangebrachte poederblos: gelukkig geen weggegooid geld om ons op de balletschool te plaatsen. 

Een zwarte maillot, zijden blouse, riem van nep zilverleer, rond mijn bovenarm een armband van tante en een sjerp uit Indonesië. Het achtergrondje, coulisse van twee pluche tafelkleden die moeder kunstig had opgehangen; eerst begreep ik er niets van, waarom alles zo snel uit de kast werd gehaald om ons ten tonele te roepen, maar toen tante riep: op gestrekte tenen staan, handen boven je hoofd als een flamenco, flitste er een sterk licht, zo sterk dat wij even met onze ogen stonden te knipperen. Mijn zus had al snel door dat ze vereeuwigd werd, ze ging op de grond liggen, op een knie en keek mij aan zo van, til mij op, draag mij en zet mij neer. Stil blijven staan, zei de man. Weer een lichtflits. Nu begreep ik het. De Kodak klikklak camera van de man die ik op de gang was tegengekomen…, bleef flitste tot het rolletje volgeschoten was. Mijn zus en ik kregen voor de korte show vijfentwintig cent: genoeg om een zak friet met mayonaise te kopen, want dat zei tante Satijn: wel naar de friettent brengen hoor. Er werd stevig gelachen.

Achter in de friettent was een balletschool van mevrouw Hánkelmann.

Je krijgt elke week vijfentwintig cent als je naar de balletschool gaat, had tante Satijn tegen mij gezegd. Ik wist dat het ‘varkentje’, een jongen uit de betere buurt, er ook op zat en die kon niet balletten zei tante, en, dat alle kinderen die balletten kunnen uit een lagere klassen kwamen, wist ze. Varkentje stonk naar rijk huiszweet, strijkijzerhemd, verschaald groene zeep en soms ook naar de mottenballen. Hij werd zo genoemd omdat hij een keer een big had gestolen en los gelaten in het bos. 

Wij kinderen van St Pieter roken naar huisstof, droegen oude pleisters op onze knieën, hadden afdrukken van Limburgerpoeppapier en in de winter roken we naar de kolenkachel. In onze haren zaten hard geworden haarklitten. Tante had uitgeroepen dat ik heel goed kon dansen en de gratis balletschoenen met kartonnenzolen die ik had gekregen toog ik met mijn zus bijna elke dag naar de balletschool achter de friettent.Tante had gezegd: je bent een echt circuskind. (Dit zei ze niet tegen mijn zus.)

Die avond kregen we dertigcent extra als wij maar op ballet bleven, zei tante en naar haar wilde luisteren. Mijn zus wilde sowieso op ballet en beroemd worden. Ik: die Maillot zat me niet lekker.

Links Robert Kruzdlo 6 jaar en rechts Anna 7 jaar. Rond 1955, Maastricht Nederland @rkruzdlo 2021

Zijn de Catalanen tot hun nek rijk geworden door slavenhandel.

Barcelona Spanje moet haar excuses aanbieden!

Wie plannen heeft Barcelona te bezoeken om de beroemde bouwwerken van de grote Catalaanse architect Antoni Gaudí te bezoeken, zoals het 19e eeuwse sprookjesachtige Parc Güell, la Sagrada famíllia, en de woningen La Pedrera of la Casa Batlló, moet met het volgende rekening houden: de beroemde bouwwerken werden gefinancierd met geld verdient aan de slavernij. Bloedgeld. 

De opdrachtgever Eusebi Güell i Bacigalupi (december 1846 – 8 juli 1918) was een Catalaanse ondernemer en industrieel, naar wie het park is vernoemd, hij was een van de Catalanen die hun fortuin hebben gemaakt door slavenhandel. In de tweede decennia van de 19e eeuw wilde de nouveau riche, de high society van Catalonië, zoals de familie Güell, die een groot kapitaal hadden gemaakt door slaven te kopen in Afrika en te verkopen in Amerika, uit de opbrengst modernistische ontwerpen financieren: de stad Barcelona ging ervoor op de schop. Er moesten nieuwe gebouwen, parken, fonteinen en huizen komen, functioneel maar zo nieuw mogelijk, het liefst extravagant, bizar, waarmee zij Europa wilden laten zien hoe modern Barcelona was. De Catalaanse familie Güell, beschermheer van Antoni Gaudí, vader en zijn schoonvader bepleitten openlijk de slavernij in die tijd. 

Wie reeds dat moois, dat Barcelona te bieden heeft, toch gaat bekijken kan met deze geschiedenis in zijn achterhoofd niet onbevooroordeeld genieten van het werk van Antoni Gaudí’s, dat door de Unesco uitgeroepen is tot werelderfgoed. 

Het is bekend dat de Catalanen Spanje haten, op het verleden van Spanje spugen, maar…, maar niet het werk van Gaudi. Wat te zeggen van bijvoorbeeld ‘de vleermuis’ die telkens te zien is in het werk van Gaudi. Het was het symbool van de machtige koning Jaume van Spanje… . 

Zullen de Catalanen, de anti Spanjaarden, -nu de Spaanse-regering van plan is de geschiedenis te gaan herschrijven, al dit moois, als de “la Sagrada famíllia” wat is opgebouwd door bloedgeld, gaan afbreken? 

Catalonië moet beginnen zijn verantwoording dragen en namens de provincie Catalonië, in het Catalaans excuses aanbieden voor de slavernij. Aan ‘alle mensen en nazaten die nog last hebben gehad van de slavernij’. 

En niet, met de vinger naar het koloniaal verleden van Spanje wijzen!

@Robert Kruzdlo 2020-2021

Tekening Robert Kruzdlo Antoni Gaudí

Politiek Catala is uitgespeeld.

Puigdemont huilt regen van gele strikken.



Puigdemont verliest Europese immuniteit


Catalanen kunnen zich nu niet meer beroepen op ’t Europees Parlement. Dat is een domper.* Vooral omdat de Catalanen met hun vingertjes wezen naar Spanje zo van: wij worden gesteund door ’t Europees Parlement. Nu is dit politiek spel uitgespeeld. 


Puigdemont, is in Spanje aangeklaagd wegens ‘opruiing’, omdat ze op 1 oktober 2017 een referendum over de Catalaanse onafhankelijkheid hielden. Voor Puigdemont komt daarbij nog ‘misbruik van overheidsgeld’ voor de organisatie van het referendum, dat door de Spaanse overheid en de Spaanse justitie verboden was.


Puigdemont zal hoe dan ook terug moeten naar Spanje en wat hem daar te wachten staat weet nog niemand. Ik denk dat hij geen rol in de politiek kan spelen omdat andere politici hebben geleerd van de geschiedenis en voor een bilaterale weg hebben gekozen.

De leider van de oppositie in Catalonië, Salvador Illa: als hij terugkeert naar Spanje, zoals “de wetgeving voorziet”, moet Puigdemont voor het gerecht verschijnen.





*https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2021-07/cp210141fr.pdf


https://www.tijd.be/dossier/europareeks/puigdemont-verliest-europese-immuniteit/10322999.html

Warmoesstraat 1963

Toen ik deze foto zag** kwam ook ‘mijn film uit 1963’ terug: mijn eerste baantje in Amsterdam*, dat ik daar achter zo’n zelfde machine als leerling drukker heb gestaan en een voor een, achter een ijzeren pin gestoken, een paperclip die weer aan een papierlegger vast zat, visitekaartjes op natuurkarton, gebleekt wit glanzend papier drukte en die ik een voor een achter de pin schoof voordat de degel zich sloot — als een grote bek — en als die zich weer opende, ik achter de pin vandaan het bedrukte visitekaartje wegtrok om meteen er achteraan, achter de pin een nieuw blanco kaartje te schuiven voor de ijzeren zwarte bek zich weer sloot en in de tussentijd tussen weghalen en opnieuw een kaartje achter de pin schuiven eerst twee inktrollen over de letters gleden en de inkt met de hand gezette loden letters de degel besmeurde zodat ik, onmiddellijk achter de pin vandaan een nieuw blanco kaartje moest schuiven en geregeld als de letters te schraal werden ook met een inktspatel inkt op de inktschijf moest aanbrengen en dat de gehele dag met een kleine onderbreking voor koffie of thee, in een zelf meegenomen beker en een pauze om te eten in een kantine die zich boven de drukkerij bevond; meestal rende ik dan naar huis om te eten.

*Warmoesstraat 149-151 de Amsterdamsche Steen- en Boekdrukkerij v/h Ellerman, Harms & Co en later De Bussy Ellerman Harms. **Writer Anaïs Nin at her printing press in New York in the 1940s.

De gekwelde Homo Clima tussenmens.

Tekening Robert Kruzdlo 2021 HOMO CLIMA

Bij zoogdieren, waaronder ook de mens valt,heeft het brein miljoenen jaren kunnen evolueren. Een brein, dat uit miljarden moleculen en cellen bestaat, heeft ergens langgeleden door fysische reacties het organisme mens bewust doen beleven: dit wonder noemen wij bewustzijn. De mens kan vanaf dat moment door die ‘breingebeurtenissen’ zijn plaats aanschouwen. Een plaats omgeven door een zoektocht van taal naar de niet te vatten voorwaarden van het bewustzijn en de werkelijke werkelijkheid. Door Frederick Nietzsche in de herfst-winter 1887/1888 ingegeven boodschap: …(…) het niet vatten leidt naar vervalsing van het bewustzijn, de mens slaat op hol, stokt en lijkt ten slotte vast te lopen, zonder nog rust te kunnen vinden in het scepticisme want daarvoor is de zoektocht te gekweld. 

Een taalmens staat in een diepe kloof met twee hoog oprijzende wanden, met aan een kant die van het bewustzijn en aan de andere kant die van de werkelijke-werkelijkheid. Daartussen mag hij babbelend uitleggen wat hij als zoogdier begrepen heeft. De schrijver, hoe goed die ook zijn best doet, kan niet dichter bij zijn belangrijke gevoelens komen dan pijnlijk duidelijk wordt hoe hij als taaldier struikelend door de kloof zijn weg vindt: met vallen en opstaan.

“Wat niet wegneemt,” schreef Jan van Riemsdijk als ik het mij goed herinner en begrepen heb, “dat ik mij voldaan voel over het feit dat ik, voor mijn gevoel, mijn taak heb volbracht, mijn werk gedaan…, dat toch doorslaggevend was.”

Taal is Sisyphus werk: daag het brein en de werkelijke-werkelijkheid niet uit. “Geniet wat er nog over is van het mooie klimaat, want we komen pas kijken,” schreef Voltaire in zijn Filosofische woordenboek 1764. 

Zet het u nu niet aan het denken!?

Uit boek De Kolonel 2021 ongepubliceerd Robert Kruzdlo.

Een hele tour.

Haar schaduw schuift ritmisch over het warme asfalt als ze aan het laatste steile stuk van de Sint-Pieters berg begint, om haar lijf wappert en wuift als bladeren van een palmboom haar doorschijnende blauwe jurk, bijna naakt voortgeduwd door het zonlicht verplaatst ze tonnen lucht en komen er tranen omdat zij meter voor meter zich van mij verwijderd, mij verlaat, achterlaat met liefdesangst. Ik sta midden op de weg om niets te missen en wil niet van haar beroofd worden. Ze mag niet verdwijnen. Dat hoofd van mij bewijst mij grote diensten door het allemaal in het brein op te slaan, voor altijd, maar wat precies en hoe ontgaat mij en waarom op deze manier, weet niemand waarom ik er onder lijd. 

Als ze de top heeft bereikt, dreigt ze voor goed achter de berg te verdwijnen en als ik van het terras opspring en begin te rennen, langs de bosschage waar het zoemt van bijen, met dé wil haar in te halen, roep ik onder het strompelen zo hard ik kan, – eerst komt er geen geluid uit mijn keel, dan eindelijk een schreeuw die mijn droge strot verlaat: het word je dood, kom terug, stijg af, draai om, het word je dood, … ja dat schreeuwde ik en dat, dat van de dood mag niet gebeuren, jij palmbladblauw moet in het heden blijven en géén verleden worden, voor eeuwig als een lange surplace en dus ren ik achter haar aan de steile berg op naar de top en hap als een stervende naar adem. 

Dit lieve Clarice, dit is geen keukenmeiden verhaal, het zal altijd een onbeschreven werkelijkheid blijven en nu ik het jou weer vertel, als ik het zou kunnen opschrijven wordt het kitsch, mooie kitsch misschien, want Clarice, ik wil dat je er van doordrongen wordt dat deze jonge vrouw, vrouwmeisje, nimfijntje of wat dan ook achter de top van de berg verdwijnt, en, …en wat haar geen enkele moeite kost word ik verlamd door trillende vermoeidheid, alcohol en besef ik dat ik haar nooit meer zal inhalen en bereiken, de afstand blijft oneindig groot en mijn hart in mijn droge strot stikt, en, …en mijn hele lijf dreigt te verkrampen, ik na enkele meters als een steen, catatonisch in het droge krakende gras val. Nu daar, op dat moment komt opnieuw de oogverblindende schoonheid terug, keer op keer worden pulserend in mijn hoofd de beelden afgespeeld en ik met gesloten ogen het nog een keer uitschreeuw, een ijzerkreet die in een lange lange O overgaat en hoor ik…, de O harder en harder in de ijle blauwe lucht uitdijen en langzaam verdwijnen, en, …plotseling dichtbij komt zij, alsof zij zich over mij heen buigt: de dood?

De rest weet je.

@robert kruzdlo uit het boek korte verhalen 2021

I’m a big girl now.

Voor de zon aan een wolkeloze hemel verschijnt, schittert het blauw tussen de bomen, de bladeren trillen als een warme bries van de heuvels afdwaalt en door de kieren in het raamkozijnen fluistert. Op het gasfornuis begint de waterketel fel te fluiten, de dop schiet van de uitschenkopening. Ik schrik, sta naakt in de bijkeuken voor de uitgedoofde kolenkachel en wacht tot ik aan de beurt ben. De wastobbe, een ovale zinken teil, wordt volgens de wet van Archimedes met heet water bijgevuld, anders klotst het badwater over de rand op de vloer. Voor de zekerheid wordt er een handdoek voor de wastobbe gelegd. Eerst gaat mijn moeder, dan ben ik aan de beurt. In het grauwe zeepsop drijven vlokken vuil. Straks word ik buiten afgespoeld met helder water uit de regenton. Achter het kamerscherm zingt moeder: I’m a big girl now. (Heb ik het later opgezocht.)

Niet dat dit een intiem moment is, waar ik later intens naar terugverlang, maar in die tijd kende ik nog geen schaamte, nu wel, en nu schaam ik me een beetje voor de situatie, om mijn blootheid. Tussen mijn billen, onder mijn ballen moest ik me, zonder hulp wassen. Moeder kwam later terug om mij met een washand de rug te wassen, maar dan wreef ze ruw, al rokend, groene zeep door mijn haar en wierp na eerst weer een nieuwe sigaret in haar mond te stoppen, ongeduldig de handdoek naar mij toe. Als ik uit het water stapte was ik grijs van het sopwater. Nu voel ik me niet naakt of bloot als ik op het naaktstrand vertoef. 

Nee, een lach verscheen nooit op haar lippen, zij weerspiegelde haar ziel niet, er zat altijd een sigaret tussen haar lippen. Ik heb haar nooit zien lachen. 

Mensen kijken nooit naar mij als ik op het naaktstrand ben. Het leven, zo las ik ergens, is een tijd van de elementen vuur, water, aarde, wind en lucht. Het door herinneringen worden aangeraakt, belevingen zijn nooit wie je bent.

Na de wasbeurt word ik buiten op de binnenplaats met regenwater uit de ton afgespoeld.

Uit Dagboek van een leugenaar Robert Kruzdlo 2021 

Zo kan de nieuwe literatuur literatuur zijn…

Wat als de begeerten vat op je krijgt, je je niet kan weren tegenover het brein-gebeuren, de fysische, biologische en neurale inwerkingen dacht ik als ‘flitsmijmeraar’, dat zij dat meisje in de koeien stal, tussen strostof en melkroom, vetgemeste koeien, daar in die vreselijke lucht, dacht ik als ‘flitsmijmeraar’ zij, achter de kruiwagen vol koeienstront zeulend, door 80 millioen neuronen als klein meisje op ‘begeerten’ getrakteerd wordt?, of je nu wil of niet dacht ik toen ik haar boek las, die begeerten wil wat het wil, dat doet de wil toch wel, maar…., zo flitsmijmer ik, maar dan moet je toch als schrijver het wél op deze manier vertellen, dacht ik toen en nog steeds, gewoon eerlijk zijn tegen over je machtige brein.

Tekening Robert Kruzdlo 2020

De chaos, &, ik en de flitsmijmeraar.

Tekening Robert Kruzdlo 1995 USA New York

Net zoals water, gas, elektriciteit en internet zonder enige inspanning in onze huizen worden binnengebracht -om aan onze behoeften te voldoen- zo komen ook, als wij dat willen, nauwelijks meer door een teken, een eenvoudige beweging van de hand, vanuit het brein, visuele en auditieve beelden binnen en zullen ze verschijnen en verdwijnen door een minimale inspanning, zonder persoonlijke inspanning van een IK.

Schreef Walter Benjamin in 1936 en in 2021 plakte Robert Kruzdlo er wat bij. 

…schrijf ik in een bericht aan Juan. Er is verder niemand in de bus. Het flitsmijmeren komt altijd als ik een reis met bus of trein maak. De duur van de reis is precies de hoeveelheid zand in de zandloper. Ik flitsmijmer door de kleinste opening van de zandloper en dat moment, kent geen tijd. (De afstand tussen aarde en mars verdwijnt met een zandkorrel.) Ik schrijf terwijl ik nietschrijf en de lezer leest wat ik héb geschreven. Onderwijl kijk ik naar de zee, waarop de zon ketst, flitsmijmer ik. Het zonlichtvernis kleurt de zee glasblank. 

Ik leef in drie dimensies tegelijk. Binnen, onder mijn schedel, buiten in de werkelijkheid & precies daar tussenin flietsmijmer ik. & is het teken voor de tussenmens. Ook dit schrijf ik aan Juan, die ergens met zijn door alcohol aangevreten kop op mij wacht. De hersenen van Juan werken niet meer zoals het hoort. Hij woont nu in Ierland, maar het maakt niet uit waar hij woont. Jaren geleden ontslagen als ziekenbroeder, na een reeks van therapieën om van de alcohol af te blijven, groepsgesprekken, valse beloftes, AA, opnieuw valse beloftes, in het bezemhok stiekem drinken, altijd met die valse grijns van hem beloven dat hij de andere kant zou opgaan, werden zijn filosofieën steeds valser, en kreeg huilbui na huilbui tot niemand, werkelijk niets in zijn huilbuien iets zag en hij in zijn post-alcoholische-verdriet uiteindelijk ontdekte dat ook al dronk hij niet, hij niet van de drank kon afblijven. Hij, Juan, was zonder dit bewust te zijn alcoholist, genetisch, misschien dat zijn overdreven huilbuien het verdriet van die ander in hem tot wanhoop bracht en hij in vreemde syntaxissen, paradoxen en drogredenen terecht is gekomen; drogredenen als: wie vrijheid zoekt kent geen vrijheid. Want waarom zou je de vrijheid zoeken als je er nog nooit van gehoord hebt flitsmijmer ik. (Ja deze zin klopt.) Die & van hem ga ik uitzoeken, zo flitsmijmer ik, want die & (de tussenmens) is een belangrijk gegeven en val in de bus weer in slaap. 

In mijn slaap schrijf ik ook. Boeken heb ik geschreven tijdens mijn slaap.

Gedichten, die schrijft Juan óók, zijn meer stellingen zonder antwoorden. Ik vind het versjes, ik vecht tegen gedichten omdat verzen standpunten innemen waarin de schrijver niet verder komt dan O…, en O ooo wat mooi. Is dit het lot van de dichter, versjes maker, die door één enkele poging om een versje te schrijven, want gedichten zijn het niet, door 80 miljoen neuronen in zijn hoofd rondbanjerend, flitsmijmeren,  gespuis van fysische fluimen, een taalmix uitstoten, een Ik & Mij, (We ben Ik,) Hij, …& en Ik en ga zo maar door; het chaotisch episch centrum van persoonlijke voornaamwoorden die de dichter in een vers stopt en tot bedaren moet brengen; is het dan zo flitsmijmer ik, is het dan een goed gedicht, vraag ik me in verwarring af als ik zojuist heb ontdekt dat ik dit met Juan wil bespreken, de onmogelijkheid om antwoord te krijgen? Op mijn telefoon typ ik deze tekst en zend die aan Juan. Juan wacht op mij, tenminste als hij het zich kan herinneren.

De bus raast en rijdt vlak langs ravijnen met haarspeldbochten. Ik moet niet meer op mijn telefoon kijken. Gedichten zijn haarspeldbochten, – schrijf ik later, ravijnen zonder bodem, dansend op grillige scherpe richels. De bergen glijden langzaam in donkere plooien, hoekige scheuren, plakken en keien, met gebeitelde zwart gestolde openingen, grotten, -de oren van de zee, waar de doden zingen. Bergen, die duizenden meters diep verdrinken en kilometers onder het zeeoppervlak weer gaan pieken en moeiteloos aan de andere kant van de oceaan boven water komen, oprijzen en weer dalen. 

Plotseling stopt de bus. De halte is leeg. Geen Juan. Hij reageert ook niet op mijn berichten. Ik twijfel en weet niet of ik hier zal uitstappen. Ik roep de buschauffeur dat hij moet stoppen. Krakend komt onder een oude wuivende palmboom de bus tot stilstand. In de schaduw van een hoog oprijzende granieten muur van waaruit hier en daar verlepte cactussen steken, zoek ik de schaduw op. Voor mij een afgrond en onzichtbaar hoor ik de herrie van de golven. De kruin van een citroenboom komt nog net boven de rand van de afgrond voor mij. In de lucht hangen meeuwen aan een zijden draadje. De zeewind kirt in de holte van de stenen: de dingen spreken tegen me in woorden die niemand begrijpt. De zon staat scheef aan de hemel. De horizon is krom en hoe groot de zee ook is, ik zie nergens een watersnor. Flits: Een wolk valt loodrecht uit de zee en zal later weer terugvallen in zee. In de goot ligt een hartenaas. Rollend gruis. Ik schrik en luister naar het gekrijs van staal, blik en glas. Griezelig. Een zwarte rookpluim schiet de lucht in. Het duizelt me als ik de weg overloop en over de kruin van de citroenboom beneden het groezelige sopwater van de zee zie. Ik heb het gevoel dat ik alles wat ik hier zie straks ga opschrijven in mijn hotelkamer. (Wat ik inmiddels gedaan heb.) Een gauwdief in mij steelt de zojuist opgeslagen herinneringen. 

Opschrijfboekje Flitsmijmeren bij de hand. Het leven gaat door op papier omdat de dingen dan anders spreken. Niet de taal van waarin ik mij bevind, waarvan ik alleen de taal begrijp. Naast mij vallen van de granieten wand stenen. Om niet te worden geraakt druk ik mijn rug tegen de vochtige, bemoste wand. Dan wordt het stil, behalve het geluid van een helikopter die nog ver weg is.

Ik ben ergens in het Spaanse Catalonië. Noord-oost Spanje. Onderweg bunkers en nog eens bunkers uit de tweede wereldoorlog, die herinneren aan de oorlog van de Catalanen tegen Franco. Alles is hier grijs en van steen, een cactus en zo af-en-toe een boom. Laag komt er een helikopter overvliegen.

‘God huilt tussen de sterren zwarte tranen,’ las ik in El Puge een Catalaanse krant die iemand had achtergelaten. Hij daar, jij ja, blijf maar, dacht ik toen ik het las. Na meer dan vijftienhonderdjaar schrijven valt er voor een denkend mens geen eer meer te behalen in deze wereld, schrijf ik nu, op mijn telefoon. Met onze huidige mensenkennis -een vlieg knalt tegen mijn schedel; is het wel een vlieg, zal de wereld huilen en zullen er meer tranen dan ooit tevoren vloeien als een tollende zandloper. We kunnen willen wat we willen, de Beëlzebub van mijn brein doet ’t toch. Maar is er dan nog hoop, dacht ik toen de reddingshelikopter vlak boven zee mijn kant opkwam en achter de granieten wand verdween. Jazeker, er is nog hoop, schrijf een gedichtje, versje of een boek, en dat geeft een hoop troost. 

De boer en zijn boerenland, de leraren en hun scholen, hogescholen, universiteiten, kortom, wie behouden wil wat hem lief heeft, deze edele mensen redden de wereld, dacht ik toen ik met mijn rug tegen de granieten, vochtige en bemoste wand stond. Het wordt donker. Ik sla de vlieg dood met de hartenaas die ik gevonden heb in de goot, -dat had ik niet moeten doen. Er zijn mensen die hieronder lijden. Marguerte Dumas schrijft: Alles om ons heen schrijft, je moet dat leren zien, alles schrijft, de vlieg, zij schrijft, op de muren, ze heeft heel wat afgeschreven… Ze zou een hele pagina kunnen vullen met wat de vlieg heeft volgeschreven. De vlieg zoekt stond op en vermeerdert zich, hij heeft zijn eigen taal, die we niet kennen, schrijf ik later in mijn hotel kamer. Het woord zee bijvoorbeeld, is de zee niet? De zee beschrijft zichzelf anders wel. Hoe? Dat ga ik hier uitzoeken, ik ben jong. Er vallen stenen naar beneden. De rookpluimen zijn verdwenen. Ik druk mijn rug steviger tegen de granieten wand. Hoeveel heb ik moeten vergeten, weg moeten cijferen om dit te schrijven?

Toen ik naar het lichaam van de man achter het stuur keek, die met een behoorlijke snelheid de haarspeldbochten nam, vanonder zijn pet rollen zweetdruppels, hij die af en toe in de spiegel naar mijn ik keek, – HIJ DAAR dacht ik: Hoe zal de buschauffeur mij beschrijven? De raamgordijntjes dansen als jurkjes aan weerszijden van de bus heen en weer. Hippiemeisjes flitsmijter ik. 

Voor het vertrek van de bus scheen de zon oogverblindend tussen de olijfbomen. De toen nog onbeschreven buschauffeur kwam met een peuk in zijn mond aanlopen, gooide die weg en klom in de bus. Als hij de motor start zie ik, herinner ik me op dat moment, de villa waar ik ben opgegroeid en in een flitsmijmer word ik op het schoolplein door een groep schoolkinderen geschopt; ik ruik overgrootmoeder en dan zonder aanleiding komt professor Grundschnabel, docent psychologie aan de universiteit, voorbij. Grundschnabel: hoe hij met zijn ontmaskeringstheorie de meisjesstudenten psychologie, die voor het eerst op zichzelf gaan wonen en zonder enige levenservaring hun spulletjes hadden geordend op hun kamer en met hun moeder nog even wat spulletjes voor de keuken, beddengoed, meubeltjes, bureauspulletjes, schoolgarderobe en nog wat spulletjes voor het fitnesscentrum hadden gekocht en die netjes hadden geïnstalleerd op hun kamertje, of een voorlopige plek hadden gegeven, gezellig toch!, en geheel onverwachts toch in een opgewonden crisis waren terechtgekomen, opzadelde met diepe zielsvragen, zij, de meisjes, zwijmelend dronken de eerste studentennacht in kroegen hadden doorgebracht, verpletterd overvallen werden door vragen uit hun kindertijd, trauma’s die verborgen hadden moeten blijven plotseling toch, als door de nauwste opening van de zandloper werden geperst, tot bewustzijn waren gekomen en dat die meisjes geheel in de war, met hun zojuist gekochte spulletjes, tussen de zojuist gekochte Ikea spulletjes, niet tot rust konden komen en eigenlijk niet de zojuist gekochte spulletjes hadden moeten aanschaffen. Van alles ging er na de eerste zuipnacht mis, het verleden kotsend door hun hoofd. 

Onderwijl ik stond te wachten op een seintje van de chauffeur moest ik aan die arme meisjes denken, de eerstejaarsstudenten waaraan in het begin van hun studiejaar niets viel af te zien dan dat ze gelukkig waren, en niet dat ze met hun gekochte Ikea spulletjes doodongelukkig konden worden en dat zij, hoe ze dat ook verhuld toonden in een diep droeve depressie waren terecht gekomen, net als de verzengende Spaanse zon die op zee schijnt, zij als bevroren spiegelwater, dacht ik toen ik dat een tijdje geleden heb opgeschreven, nu de hemeltergend flets en schaduwloos ineenstortten van de wereld. Ik kan het weten. Ik heb dit ook meegemaakt. Misbruik, huiselijk geweld, aan alcohol verslaafde ouders… Ik moest aan Thomas Bernhard denken, die schreef: ik wil nu niet aan herinnerd worden. Toch, …ik ril en zweet me weer een andere flashback. Zeker weet ik het niet, maar ik ben een beetje Thomas Bernhard. Ik ben pastiche.

Grundschnabel: emoties zijn onnodige termen in de wetenschap, had hij geschreven, wetenschappelijke beschrijvingen hebben niets met emotie of gevoel te maken…, had hij in de eerste college tegen de Ikea studentes gezegd. Het zijn curiositeiten die jullie bij je onderzoek achterwegen moeten laten. De Ikea meisjes verborgen zich eerst op de toilet en toen de nachtwaker ontdekte dat er nog een Ikea meisje op de toilet zat, heeft hij de politie gebeld. 

Grundschnabel stierf tijdens een safaritocht in Afrika. Oké, geloof me, zijn laatste woorden waren: ik geef me over. De universiteit eerde hem met een uitvaartdienst – ik heb nog nooit zoveel tranen in traangeulen van hun gelaten zien vloeien, emotie en gevoelige toespraken gehoord als de kerk van het Doorboorde Heilige Hart waar Grundschnabel lag opgebaard. Stuk voor stuk gevoelige mensen allemaal, die wetenschappers…? 

Wetenschappers vergroten de ellende in de wereld flitsmijmer ik en wacht op een seintje van de buschauffeur? Wetenschappers maken alles erger dan het al is, ze analyseren alles stuk en dat om feiten aan het licht te brengen? Welke feiten? Die van de eerstejaars Ikea meisjes en -jongens? We staan machteloos tegen de wereld, de natuur, het heelal en zullen eens net als de bergen vergruizen ondergaan tot op de bodem van de zee. Dit en nog veel meer flitsmijmerde ik met de rug tegen de granieten wand.

De buschauffeur vraagt schreeuwend met een bezweet gezicht waar ik wil uitstappen. ‘Bij het pompstation Selva,’ roep ik zo hard ik kan, want op dat moment trapt hij op het gaspedaal. Selva, dan moet ik omrijden en dat scheelt mij een kop koffie. Ik schreeuw nijdig terug: Héé por favor… Selva,’ en word wakker.

Ja, ja, ik hoor je wel, zegt de buschauffeur kijkend in zijn achteruitspiegel. 

Ik kijk naar zijn lachende schouders en realiseer me dat ik een tijdje heb zitten slapen.

Ik kijk op mijn telefoon. Juan zegt dat hij er al is. Ik tik een versje naar hem:

wil

ik kan 

willen 

wat ik wil

wat de 

wil wil

doet zonder

mij & ik 

toch wel

zelfs als ik & hij droom 

blijft het zus & zo gewoon

wil

Selva. Als de bus voor het pompstation tot stilstand komt stap ik in het opwaaiend stof. Niemand? Verderop onder een menshoge cactus een bankje, passend in het landschap, herken ik meteen Juan. De deuren van de bus gaan met een hevige klap dicht. De buschauffeur toetert en ik zie nog net hoe hij met zijn schouders schudt. Ik word door de vertrekkende bus onder stof en gruis bedolven. Juan wipt van het bankje en komt op mij af lopen.

Bij het benzinepompstation, in café Tallat, is het druk. Ik ben nieuwsgierig hoe het er van binnen uit zal zien: hetzelfde interieur, dezelfde mensen en dezelfde bedienster, mevrouw LLuciana? Twee jaar geleden was ik hier voor het eerst op vakantie.

Als ik achter Juan de cafédeur loslaat, die automatisch in het slot valt, verstommen de gesprekken van de kaartspelers die in het midden van het café aan een ronde tafel zitten. Alles is nieuw voor me, de sfeer en de mannen. Ze zijn verbluft als ik naast hun sta. Ik herken de oude mannen die altijd met dezelfde kleren door het leven gaan. Maar herkennen ze mij? Te verlegen om iemand gedag te zeggen zoek ik een plaats ver bij hen vandaan. Plotseling roept de grootste van de kaartspelende mannen, herkent hij mij? – een Francofiele Spanjaard Heil Hitler, niemand die op de doerak reageert. De kaarten kletsen harder op tafel, er wordt openlijk en hard gevloekt en, scheldend worden de kaarten opnieuw gedeeld. Er wordt zonder onderbreking gefluisterd, gesnoven en weer roept de hij Heil Hitler. Juan komt met grote passen op mij aflopen en verontschuldigt zich: een glas witte wijn en olijven, zegt hij en gaat met zijn rug naar de mannen toe zitten alsof hij door een enorme muur afgeschermd wil worden. Een van de mannen raapt een hartenaas van de vloer. Ik zeg niets. Door het verlies van de hartenaas in het spel, moet het kaartspel over, zegt de Francofiel. Iedereen heeft vals gespeeld, zegt hij en haalt met een potlood een dikke streep door de getallen die in een schriftje staan genoteerd. Juan kijkt mij aan en aan zijn ogen te zien is hem niets ontgaan. Of toch?

Brein & wereld, 1.2.3. ik kan alleen toekijken. Die & ben ik, hij, wij en het brein, ja alles is brein.

@Robert Kruzdlo Korte verhalen 2021

Babel

Ik ben me voortdurend van mijn ongeluk bewust, wat men ook over mij schrijft. Ik geniet ervan. Misschien moeten we er vanuit gaan dat een ongelukkig mens niet bestaat, kijk naar de wereld, die is op sterven na dood. 

Een keer per week, na twee uur, wandel ik naar de vis- en vleesmarkt. Na een nogal rumoerige ronde over de vismarkt, de visverkopers bieden smekend hun laatste viswaar aan, ga ik langs Mama, die lams-, geiten en schapenvlees verkoopt. In de vitrine liggen ontvelde geiten-, schapenkoppen die mij met doodsbange ogen aankijken; uitgedroogd bloedrullig liggen de gevilde hoofden tussen hersens, kloten, harten, levers, een hoop pens, een kom nieren en darmen. De bebloede hoofden met een rij scherpe tanden, alsof ze tegen mij lachen, hebben allemaal dezelfde kleur ogen, zwart. Schilderachtig. Ik moet denken aan het karkasschilderij Le boeuf van Joods-Franse schilder Chaïm Soutine die karkassen van geslachte ossen naar zijn atelier sleepte. (Hij kwakte kilo’s verf op het doek, om de stinkenden karkassen te schilderen, om redenen die ik niet ken.)  

Is hersens eten lekker? vraag ik Mama.

Je gaat er beter van nadenken, zegt ze lachend en knipt met de vingers in de lucht.

De gevilde kop, zegt ze, ze wijst met een bebloed slagersmes naar het geitenhoofd, wordt in zijn geheel gekookt en afgekloven door de honden. Van de bouillon wordt paté gemaakt… . Het laatste verstond ik niet. 

In Afrika eten ze de inhoud van buffelhoorns, zeg ik met gebogen hoofd.

Heb je geitenpenis gegeten en houdt een stuk vlees omhoog.

Zit er een batterij in, zeg ik?

Mama, legt het slagersmes op de toonbank en veegt met het puntje van de schort haar ogen droog. (Zo zijn de mensen hier, je mag hier zonder erover na te denken meer uitflappen dan in Amsterdam. Het moet wel echt zijn, oprecht als een kind. )

Tot nu toe heb ik niemand kunnen betrappen op het kopen van een geiten- of schapenkop. Er ligt een heel lam van zes maanden oud, in de vitrine. In de ogen van het lam zie ik de laatste verstarde levensminuten, maar dat zeg ik niet. De markt des dood. Buiten is het niet anders. Vrolijk word ik er wel van anders kan ik niet door existeren.

In deze stad Babel, is het niet anders.

Hoofdstuk uit het boek De Kolonel Robert Kruzdlo 2021 (Lees een reactie op mijn boek TUSSENMENS.)