Neerlandistiek plaats tekeningen van Robert Kruzdlo

Inmiddels heb ik meer dan 100 tekeningen van Nederlandse schrijvers gemaakt. Het zullen er 260 worden, dan is het genoeg. De tekeningen zijn gemaakt met Oost-Indische inkt op 200 grams papier. In 2008 exposeerde de stad Girona Spanje 80 portretten van mijn hand. Een selectie uit 200 portretten. Casa de Cultural vertaalde in het Catalaans een poëzie album: Filosoof. Geregeld exposeer ik in Girona in het kleinste culturele café van de stad El Café. Girona is nu erg gericht op de politiek en wil een republiek worden. 43 procent is voorstander voor afsplitsing van Spanje. Ik ken de Gironins. Redenen die moeilijk te begrijpen zijn. Eigenlijk gaat het om geld, taal, cultuur en de politieke bemoeienissen van Spanje. Niet lekker om te wonen in een land dat via een referendum denkt aan te kunnen tonen dat de meerderheid tegen Spaanse overheersing is. Volgens mij is het een genetische aanleg om tegen Spanje te zijn en niet zozeer het verlangen naar meer vrijheid: als die er was, de vrijheid onder de Catalanen, had Catalonië er heel anders uit gezien.

(Informatie: walter.joseph.zlo@gmail.com)

J.M.A. Biesheuvel 23 mei 1939 – 30juli 2020 inkt Robert Kruzdlo

Joseph Walter Kruzdlo

Joseph Walter Kruzdlo 1940

De dood van een grave digger

ROBERT KRUZDLO

Herinneringen gaan verder dan de gedachten aan de herinnering.

Tijdens de televisie-uitzending Memorial Day op 4 mei vroeg ik me af: hoeveel Amerikaanse soldaten zou mijn vader geïdentificeerd en herbegraven hebben? Mijn Amerikaanse vader was na de bevrijding van het Limburgse Margraten in 1944 daar op de Amerikaanse begraafplaats gestationeerd. Beroep: grave digger. Ik kan het hem niet meer vragen, hij stierf 25 jaar geleden.

“Je vader Joseph Walter… is met spoed opgenomen,” klonk het in de zomer van 1995 krakend door de telefoon. Halsoverkop nam ik het eerste vliegtuig naar Amerika, op JFK Airport was het snikheet en een gewone taxi was niet te krijgen. Daarom bracht een taxilimousine mij naar het ziekenhuis Wilkes-Barre, in Pennsylvania. Nog diezelfde dag stormde ik vaders verduisterde IC-kamer binnen. Plotseling verscheen vanuit het donker een vrouw, die tot mijn verbazing mijn uitgestoken hand weigerde en op mijn vraag wat ze hier deed hoofdschuddend, als een schim, met slaperige ogen de gang op trippelde. Ik sloot verbouwereerd de deur achter haar: zijn vaste anonieme ziekenbewaakster.

Boven vaders bed brandde een ielig bedlampje. Een bewasemd zuurstofmasker bedekte zijn blauwige gezicht, en vanonder de ziekenhuiskleding, met een enorm logo van het ziekenhuis, staken dunne donkerpaarse benen. Even knipperende hij met zijn wimpers. Het flitste door mij heen: er moet iets gebeuren, zo kan hij niet blijven vegeteren. Tot mijn grote schrik zag ik hoe er kakkerlakken over de vensterbank liepen. Dus met jouw handen heb jij, om je makkers te kunnen herbegraven, in de Limburgse aarde gedolven, realiseerde ik me weer. Pas nu kwamen de tranen. Kitscherig? Weggaan werd moeilijker dan naar binnen komen. Ik wilde een gesprek beginnen. Geen enkele andere reactie dan binnensmonds drie onverstaanbare woorden; hij verslikte zich er bijna in.

Plotseling klonk er een hoge pieptoon. Een verpleegster stormde de kamer binnen. Nerveus drukte zij op de display van het beademingsapparaat een aantal toetsen in, zuchtte diep en begon vaders lippen te deppen met in water gedoopte wattenstokjes: “Wilt u dit voor mij doen?” fluisterde zij. Onderwijl begon ze in een laatje te rommelen. “Hier,” zei ze gehaast, “voordat het gestolen wordt. En dit, zijn horloge en driehonderd dollar.” Vader bewoog niet.

De volgende dag prevelde vader vanachter het zuurstofmasker weer onbewogen de drie woorden. Hij wist het: ik heb genoeg beleefd. “Moedig van je, Joseph, je hebt Margraten, Vietnam, vervolgens Cambodja meegemaakt,” zei ik zacht in zijn oor. “Nooit heb je er iets over verteld, wil je…” Hij schudde het hoofd. “I wanna die,” klonk het onverhoeds helder en puntgaaf.

Eind negentiende eeuw waren vaders Poolse ouders geëmigreerd naar New Jersey City, mijn geboorteplaats. Tijdens de Tweede Wereldoorlog rondde hij een spoedopleiding grave digger af. In 1944 werd hij naar Margraten gestuurd, om duizenden gesneuvelde soldaten aan de hand van hun Dog Tag (identiteitsplaatje) te identificeren en in het register Grave Registration Company (GRC) bij te schrijven. Bij gebrek aan doodskisten werden de helden opnieuw begraven in matrashoezen. Tijdens zijn verblijf in Margraten ontmoette hij mijn moeder op het station.

Euthanasie of palliatieve sedatie was toen in Amerika, het land van ongekende mogelijkheden, niet mogelijk. Maar zijn euthanasiewens werd op een on-Amerikaanse manier gehonoreerd: hij kreeg toch het verlossende medicijn toegediend.

ARGUS Robert Kruzdlo (1949) is beeldend kunstenaar en auteur.

Vierentwintig keer per jaar ploft Argus op uw deurmat, voor maar tweeënvijftig euro. Wees verzekerd van Boerstoel en Dresselhuys, van Pauka, Rawie, Luijters, Ross en tientallen andere medewerkers die het niet kunnen laten. Voor hun lol. En voor de uwe.

Ga naar arguspers.nl

Door schaamte en schande rijk geworden, door schaamte en schaamteloosheid raaskallen.

   Het kwam door een schaamtegevoel en een kwijnende schaamteloosheid, elk moment het hoofd te kunnen verliezen. Het was mij al eerder gebeurd. De gêne zit in mijn botten en die botten tezamen worden bijeengehouden door stijve spieren, verzameld in een zak met water: vijfenzestig procent vocht-gêne, bijeengehouden door vet en laag na laag door een harde huid: de muur. In die zak kon ik verdrinken.

   Binnen de muren van het menselijk lichaam leven bacteriën die de spijsverteringorganen bevolken en microscopische kleine mijten die over mijn huid paraderen. Lintwormen krioelen in mijn darmen. Om zelfbehoud heb ik antilichamen en een immuunsysteem: we stammen af van bacteriën en virussen. Twee miljard jaar geleden begon de samenwerking al. Parasieten leven bij miljoenen in mij. Dit is maar een voorbeeld van wat binnen is. En buiten?   

   Daar is de alles verblindende schaamte. Ik probeerde mij onzichtbaar te maken. Hoe klein ik mij ook maakte, zelfs kleiner dan het woordje ik; de ander, die mij toch opmerkt, trof met zijn blik als pijlen altijd doel. Een schaamteloos schaamtegevoel vulde mijn hoofd. Op de bovenste etage, op zolder, onder mijn kruin, daar ergens resideert mijn schaamte.

   Toen ik na de dood van mijn vriend Sixto, die overleed aan de longziekte sarcoïdose, in een overdreven opwelling, een aandenken wilde schrijven – het was eind november, koude dagen en de regen was te horen in het rookkanaal van mijn huis dat aan het eind van een doodlopende weg, aangedrukt tegen een steile heuvel stond – ik kon via het balkon het huis verlaten -, gedreven door een kinderlijk doorzettingsvermogen, ik mijn hoofd in de grijze wolken van herinneringen stak, en, de zee niet zag, alleen horen kon, ging ik aan mijn kleine sobere schrijfschrijftafel zitten en werd wederom overvallen door een warme, later, schroeiende schaamte. Mijn wangen gloeiden alsof ik uren buiten in de regen gewandeld had en verregend met trillende vingers een kop hete bouillon dronk. Neus, gloeiend als gloeidraadjes in een elektrische kachel, kriebelde, snotterde ik op papier. Het leek – zoals ik vaak droom – het mes van een guillotine te zijn die in een klap mijn hoofd van mijn romp wist te scheiden. Zonder bloedsporen viel en rolde het hoofd over de vloer. Nu had ik geen last meer van schaamte maar hierdoor kon ik geen letter meer op papier zetten.

   Dezelfde dag liep ik met dat hoofd vol schaamte en -loosheid onder mijn arm naar het station, een paar uur lopen van mijn berghuisje, regelrecht naar de afdeling van gevonden voorwerpen. Een dame met een te kleine beha, asymmetrisch gezicht – als ze lachte ging haar linker mondhoek naar beneden en haar rechter naar boven (voor haar andersom) -, een taille zo rond als een appel, een vuil schortje voor en rotte tanden die ze verborg achter haar hand hield als ze moest lachen, wist precies waarvoor ik kwam: voor het ruilen van het hoofd.

   Natuurlijk was ik verbaasd toen ze zei: “Ik zag u al aankomen en ik zei tegen mijzelf, dat is de schrijver van het berghuisje. Hier een handdoek dan kunt u uw hoofd droogwrijven. Ik ga een hoofd voor u zoeken.”

   Het was een komisch gezicht hoe zij over de andere hoofden sprak. Ik hield de oren van het hoofd zo, dat ik alles goed kon horen. “Deze is stom, te dom voor u, deze is nog dommer, gevonden in de eerste klas, dan deze, net een sprekende aap die…, nee en die, nee er zat niet echt een intellectueel hoofd bij… .” Ik gaf zelf aan wat ik wilde en wees naar een hoofd dat goed bij mijn voornemens paste: had iets weg van een psychotisch iemand, zo keek het uit de ogen. Niemand haalde het in zijn hoofd naar het wisselen van een hoofd mij te bekritiseren gezien zij ook geregeld met een ander hoofd rondliepen. Misschien kon dit nieuwe hoofd mij redden van mijn schaamtegevoel voor schaamteloosheid? Gelukkig had ik mijn kleine hersenen, de oudste hersenen van de mens, nog. “Ja zeker,” zei de perronmeester, “het staat u goed.”

   Door dat de vrouw van de gevonden hoofden, één van de in de trein achtergelaten hoofden, in vuilnisbakken en soms gewoon in een zak voor de ingang van het station, die ervaring had, meteen op mijn romp kon plaatsen – gewoon een soort vette plug met miljoenen draden en die vanaf de kleine hersenen, bulbus, een goede verbinding had met de verlengende ruggenwervel; en gezien daar het oudste evolutionaire leven zetelde, wat goed uitkwam want dat hadden we toch niet meer nodig als je een andere kop hebt – was ik bij machte mijn schaamte te onderdrukken en een aandenken aan Sixto te schrijven. De twijfels konden niet meer toeslaan als bliksems die wateren doet schudden. Terug naar mijn bergwoning was de regen een gesel. Toch wel heel anders dan ik gewend was.

   Zonder dat hoofd was ik in de plensbui gaan zwemmen in een warme zee en had ik geen enkele behoefte gevoeld Sixtos denkwereld binnen te gaan, als een door schaamte overvallen schaamteloze gijzelaar. Op het terras gezeten om te kijken naar jonge vrouwen in badpakken, die bruingebrand en dom onnozel hun lange tongen tergend langzaam aan het smeltende ijs likken. Ik heb daarom de schaamte voorbij, luchthartig, geestig, alle informatie over Sixto ingewonnen, die nodig was om het aandenken te schrijven. Ik zal schaamteloos over hem schrijven en door het taboe op schaamte die nu geheel verdwenen is, krijgt het schrijven nu een kans. Het is maar welke pet je opzet.

   Ik heb gelogen, ja natuurlijk, anders had ik dit nooit kunnen schrijven en was ik door schaamte ver verwijderd geraakt van mijn hand en schaamteloze schrijfpen, – had ik nooit de onbeschaamdheid leren kennen. Dat dit door dat nieuwe hoofd van mij kwam maakt alles ingewikkeld eenvoudig. Hoe alles in die hoofden werkt weet niemand. Verlegen schaamteloosheid prevaleer ik boven schaamteloze verlegenheid. Ik haat schaamteloze verlegen mensen, ik zou ze wel eens een optater willen geven. Daarom zeiden mensen vroeger dat ik een beest was. Schaamteloos verlangen de ander te vragen om hun blik af te wenden zodat hij kan slikken, rust heeft en zonder zondig gevoel verder kan. Zoals almaar het oog van God die op de gelovige is gericht? Van God krijg je geen antwoord. Van het hoofd ook niet.

   Door schaamte en schande rijk geworden, door schaamte en schaamteloosheid bedekt. Schaamte leidt soms tot grote schade, schaamteloosheid soms tot grote daden. En zo verging het mij in die dagen. Kant de filosoof had gelijk: Het valt niet te bewijzen dat er buiten het denken een materiele wereld en andere denkende wezens zoals wij bestaan.

   Over Sixto moet ik het nog hebben, maar daar staat dit hoofd niet naar. Deze absolute onzin, het niets, is niet alleen de absolute waarheid, het is gewoon het non-fundament van het niet-zijn. Een wonder dat je zonder hoofd kunt leven, ruilen en door deze illusie verder kunt. Morbide. Je bent dood en leeft verder. Als je dit hebt meegemaakt en ik ben de enige niet, raak je eraan verslaafd en dat weet de juffrouw van de gevonden voorwerpen, die verdient er een centje bij.

  Ik spreek niet over deze morbide veranderingen, het gekke is dat het hoofd dat van mijn romp viel, het over deze dingen heeft. Iemand schreef: Het is het hoofd zelf dat zich onthoofd, dat ‘niet is’ dat op niet uitloopt, want bij nader inzien blijkt het gewoon NIETS te zijn.

   Raaskallen. Ik kan er verder niets van maken.

Voor het eerst buiten in Spanje

Op het terras regent het Jacaranda bloesem. Kleine lila blauwe kelkjes vallen als parachutes uit de brede kruinen van de bomen. De bladeren van de Jacaranda lijken op varenbladeren. Twee keer per jaar gebeurt dit. Mei is de eerste keer. Deze Jacaranda boom kom je overal in de stad tegen, niet zo talrijk als de palmboom.

Boven de daken van de paleizen en huizen gutsen de gierzwaluwen door de lucht. Ze halen soms schrillend een snelheid van 200 kilometer per uur. Trams boogpiepen net zo, maar de gierzwaluwen ijzige veel beter in de bocht. Hun kwetterend geschreeuw is geen typisch geluid: je hoort het alleen als je erop let. Zoals nu. Voor het eerst zit ik op het terras. Twaalf weken heb ik geen ober gezien.