Briefje

Sylvia Hubers

Pompeï van Haarlem.


Ik had nog nooit van je gehoord tot ik je op kansel van de Haarlemse Doopsgezinde kerk met je armen zag zwaaien: je droeg een gedicht voor. Schriel aftekenend tegen al dat lompe eikenhout. Een kaarsvlammetje in een schelle ruimte. Laat ik mij eerst aan je voorstellen Robert Kruzdlo amerikaan die in het Nederlands schrijft.


Wat is Haarlem een zuip- en vreetstad geworden. Romeinser kan het niet. In Pompeï stroomde de wijn door de straten en had elke straat wel zeven kroegen. Vanaf de terassen word je bekeken alsof je met een drol in je broek loopt. Vroeger toen ik als jonkie nog in Haarlem kwam leek de stad meer op een katholieke zondagse stad, de kerk was nog maar net uit of in de kroeg werd de hostie weggespoeld.


De dag dat ik je als een trampoline dichteres voor het eerst zag, dacht ik: zou je ook niet eens in een stad willen verkeren vol met een kerkgangers, waar vanaf de kansel het volk nog wordt toegesproken, de kaarsjes nog branden en je in het café de hostie kan wegspoelen ,en, je niet door romeinse gulzigheid wordt doodgeslagen?


Als Haarlemse dichter mis je een boel, …toch? Nee hoor, ik hoor je woorden al op het papier tikken. Maar ik was zo vrij je dit briefje te sturen omdat ik nog steeds denk aan Haarlem van toen, hoe het ooit was en nooit meer op dezelfde manier in een gedicht gevangen kan worden. Haarlem hoe ziet het er straks uit?

Advertenties