Taalloos ik denken

Taalloos bubbel idee

De schrijver,

Wat vond er, buiten het bewustzijn, precies plaats die nacht? Welke lichamelijke onderdelen, organen, spieren en neuronen, waar het bewustzijn nooit komt, speelden een rol? Zijn de anonieme lichamelijke achtergronden waar jij geen enkele zeggenschap over hebt, niet de eigenaar van wie jij bent: het brein, de homeostase, de mede-beslissers?, waaruit jouw ideeën tevoorschijn komen, uit een lichaam, jouw lichaam, uit de stilte, taalloos en ineens zie je één feit; die je treft, hard zonder het talig te benoemen en dat je weet, ik wil schrijver worden. Uit het woordeloze niets schiet als een vuurpeil je verlangen te voorschijn. Omdat alle moeilijkheden van het leven ergens moeten beginnen eer je erover kunt nadenken, zal ik antwoorden, en oprecht.

(…)

Elke vezel van je lichaam denkt mee… .

Die nacht, na het explosieve drama, werd ik zachtjes wakker geschud. Geschrokken opende mijn ogen zich. Blindzicht, oogsterren verdwenen traag; een streep helder maanlicht dat door de kier van de deur scheen verdween en kwam weer terug: een figuur schoof langs de reet opengebleven deur. Weer een aanraking, het moest van een vrouw zijn. Haar moszachte vingers streelden over mijn rug naar mijn hals en door mijn haar, terug met haar, heel lange nagels naar het elastiek van mijn onderbroek. Ik draaide mij rillend om. Eerst weifelend, dan in vloeiende beweging als een warme golf landen de vrouw naast mij: haar armen als een hoefijzer baai. Ik lag als een plank, ontspande en wachtte op wat het warme lichaam ging doen. Ze ademden snel. Toen zij zich als een octopus rond mijn middel had vastgezogen, wist ik het.

Schuif even wat op zeg.

Lidia!

Ja, ik ben het.

Ik had geen woorden en ik zou op dat moment er ook niet één kunnen verzinnen, zo natuurlijk scheen alles. Zou dit voornamelijk komen omdat ik mij toen heel natuurlijk vond? Wat bezat ik? Haar? Zij mij? Er had nog nooit iemand naast mij gelegen, mij aangehaald.

Zullen we gaan neuken?

Goed, maar doe de deur van de aanhangwagen dicht, stamelde ik, wat ik nu juist op dat moment helemaal niet wilde.

Ik had mij omgedraaid, met mijn hoofd naar de stalen wand van de materiaalwagen en wachtte met een bonzend hart af wat er ging gebeuren. Toen, toen, toen, na schaviel achtige geluiden van haar kleren…, lag ze plots naakt naast mij.

Naakt op naakt, zei Lidia.

Nooit gevoeld.

Heb je het dan niet gelezen in het boek?

Ja, …maar dat betekent toch niet?

Ja dat betekent dat, nu, nu en in de eeuwigheid, mij zal moeten neuken, ik lig klaar. 

Ze haalde diep adem, greep met beide handen mijn lendenen vast, drukte een bos haar tegen mijn pik, – het prikte pijnlijk over mijn besneden piemel. Ze greep naar wat zij wilde, haar wil en wat ik niet kon weigeren, dat zij het wilde en als ik het niet had gewild was het mijn pik wel die wilde en daarom, – dat wist ze, moest ook ik, het wel willen: de wil wil wat het wil en alleen de wil kan willen.

Je moet met je bekken drukken, ik bedoel, je moet stoten met je pik.

Ik stootte. Zompig geluid, zuigend geluid, vacuüm geluiden; haar buikspieren strak en ze tilde mij met haar heupen op.

Met een lage, donkere stem zei ze: harder, hoger, hier en haar hand ging naar haar vulva, ik voelde haar aanwijzingen met mijn buik, de plek die ik met mijn schaambeen moest schuren.

Hier, drukken, harder stoten.

En dat deed ik. Het was niet mijn plicht, het was méér dan mijn plicht, ik gaf mijn lichaam aan Lidia. Het was niet slaafs, het was niet onderdanig, het was mijn gave aan haar: Goddelijk.

Ik kom, riep ze.

Uit haar borstkast kwamen remmende, knarsende stemgeluiden en dan een langgerekt schriel keelgeluid. 

Laag register: kom maar, zei ze hijgend. Straks zuig ik je af.

Is dat een straf?

Nee, dat is een cadeau. Let maar op als je piemel diep achter mijn huig…, verhuigd zit, zei ze.

Kietelt het?

Wacht maar.

Nat. Mijn piemel was nat. Mijn handen zaten onder een vreemd soort dradig slijm. Het rook naar zure melk, geuren die ik niet kende en niet van opgewonden raakte.

Kom op mijn borsten zitten. Je bent sterker dan wie dan ook. Niemand kan je iets doen.

Ik liet een scheet.

Geeft niet. Explosie.

Schokkend vloeide alles uit de kleine opening, die even te klein was. Het stroomde warm, heet door de opening mijn penis, zoveel…, zoveel had ik mij nooit kunnen voorstellen en ze slikte alles in. Toen ik dacht, ik ben klaar, kwam er nog wat. Ik trilde niet van angst, maar van een onzeker genot. Hoe weinig er dan ook voor de derde keer uitkwam, viel ik uitgeput voorover op haar. Ze duwde mij van zich af. Mijn lichaam schokte en trilde. Ik lag op mijn koude plaats en voor ik het wist, was ze weg. Ze rende naakt, met haar kleren in haar hand, de materiaalwagen uit. Achtergelaten tussen allerlei geuren, van zoet, zuur, ranzig en zoutige plakkerige plekken op het laken, viel ik klam opnieuw in slaap.

Een paar klappen op de materiaalwagen: Kees. Hij riep door de openstaande deur of ik uit mijn nest wilde komen. Op de rand van het bed wreef ik de slaap uit mijn ogen, zag ik, naast het bed een stapeltje boeken. Er lag een briefje op: Deze zijn voor jou. Een woordenboek, Nathalie Sarraute Het gebruik van het woord, en kom op, kop op, op de muziek van de toekomst kun je niet dansen, dus doe het nu, liefs van Lidia.

Kees: Kom je nog uit je stinkend nest?

Ja, ja kom eraan, ga mij eerst wassen. (Ik veegde een haar van mijn lippen.)

We breken de boel af.

Vertrekken we vandaag?

Ja, we gaan naar Dresden.

Dresden?

Ja, in de namiddag, rijden we naar Duitsland, via de Duivelsberg, daar woont een familielid, de enige die de oorlog heeft overleefd.

Jij en …?

Zus, zonder benen. Je zult schrikken, ze draagt een masker.

Die ochtend wist ik, in een oprisping, voor het eerst wat ik later wilde worden, maar ik vertelde het aan niemand. (Het gehoefde ook niet en waarom het niet moest wist ik niet. Pas op mijn zestigste vertrouwde ik het aan iemand toe.

Ik zag het als een feit. Kleedde me ontspannen aan loond door wat er allemaal gebeurd was en waste mijn geslacht en voeten op de openbare wasplaats, beschut door een lage houten omheining: één waterkraan voor iedereen, elk willekeurige voorbijganger kon m’n reet kussen. De  bloedhonden van de kermisattractie Hollywood spookattractie waren al vertrokken. Op het bijna leeg plein echode stemmen. Priemend staken de hijskranen in de lucht, tegeltjes wit en hieven grootmateriaal op de laadwagens. Vrouwen en kinderen rolden gezamenlijk het tentzeil op. Soms hoorde ik van ver geschreeuw, kreten van namen en zwaaide men wild met de armen. Onder een lucht met geen enkel wolkje.

Terug in de materiaalwagen zocht ik eerst in het woordenboek het woord verhuigd op. Ik kwam niet verder dan huigen. Je kunt dus ook je eigen woorden maken. Nu wist ik het zeker, ik was besmet met ik wil schrijver worden.

De schrijver,

Wat vond er, buiten het bewustzijn, precies plaats die nacht? Welke lichamelijke onderdelen, organen, spieren en neuronen, waar het bewustzijn nooit komt, speelden een rol? Zijn de anonieme lichamelijke achtergronden waar jij geen enkele zeggenschap over hebt, niet de eigenaar van wie jij bent: het brein, de homeostase, de mede-beslissers?, waaruit jouw ideeën tevoorschijn komen, uit een lichaam, jouw lichaam, uit de stilte, taalloos en ineens zie je één feit; die je treft, hard zonder het talig te benoemen en dat je weet, ik wil schrijver worden. Uit het woordeloze niets schiet als een vuurpeil je verlangen te voorschijn. Omdat alle moeilijkheden van het leven ergens moeten beginnen eer je erover kunt nadenken, zal ik antwoorden, en oprecht.

Briefwisseling

IKLOOS bestaan Robert Kruzdlo 1982

Beste Robert,

Heeft de lezer er iets aan, als ik ze vertel, dat jij in je boek, tijden, plaatsen en perspectieven soms door elkaar husselt? Dat je de grammatica te slim af wil zijn. Dat er wordt gezegd dat dat komt omdat het Nederlands niet je moedertaal is. Dat vind ik onzin. Maar wat is onzin?

Het algemeen beschaafd Nederlands bestaat uit dwingende constructies, maar niet onoverwinnelijk. Je kan persoonsvorm wisselingen toepassen. Apollinaire deed dat ook, ‘ik en jij’ door elkaar gebruiken. (Zone: Vandaag loop je rond in Parijs de vrouwen zitten onder het bloed/ Het was ik wou dat ik kon vergeten toen de schoonheid aan kracht had ingeboet.) 

Je gebruikt in je boek soms met twee persoonsvormen: ‘ik en je’ Andere schrijvers gebruiken als hoofdpersoon de ‘ik’ soms met ‘zij’. Heden en verleden zijn diffuus. Het is geen spelletje, het is bloedserieus en doordacht, wat je doet. De onderbroken vorm is essentieel in het schrijven. Taal is onmacht, machteloosheid van mensen om echt tot elkaar te komen en om het diepste zelf, – nu ja het zelf? of het ik te leren kennen. Diepste zelf, het ik? Waar zit dat? 

Je bent een echte autodidact. Jij vindt dingen uit waar een ander nooit op komt. Kennis van de Nederlandse taal staalt de verlegenheid: je zal anders als een bloedrode zon van verlegenheid ten ondergaan of je zal, hard, kil en com­pact moeten formuleren; niet wijdlopig schrijven, laat dan die dingen weg om het ‘kort te houden. Tekst aanbinden, geselen: woorden weglaten, tot je bijna niets meer overhoudt: is dit zelfmoord?

Uitstel van zelfmoord is schrijven. Houd je aan de regels dan kan er weinig met je gebeuren. Kijk maar naar andere schrijvers. Wat weten we van het brein en de werkelijkheid? (De zweep erover en luister naar de knallen van de knoop. Klak, klak. Misschien wel het mooiste geluid-gedicht dat ooit is geschreven: Klak, Klak … KLAK. Als flamenco.)

Maar je bent niet schoolgegaan, dat wil ik ook even zeggen. Je erfde het schrijftalent, wat verlang je nog meer. Een ander moet de structuren van de taal leren, jij vraagt je af waar de betekenissen van de taal vandaan komen. Het leven kan zonder taal, zeg je, maar wij spreken onzin om begrepen te worden. Mooie onzin! Je bent een autodidact die de klank van de taal wil begrijpen. 

Ik hoop dat je mij begrijpt. 

Liefs Fleur

*

Lieve Fleur,

Iedere keer als ik iets vertrouwelijks zeg, als ik iets van mezelf prijsgeef, heb ik daarna spijt van. Niet omdat ik iets heb gezegd dat ik niet wilde zeggen, maar omdat het altijd meteen vals en onecht klinkt.

Nathalie Sarraute 1900-1999

   Ik beheers geen moedertaal, een taal die je van kinds af, zonder formeel onderwijs, geleerd moet hebben. Ik doe het zonder een moerstaal. Hoe dat komt? 

   Tijdens de opvoeding, was er geen spraak onderhoudende moeder, en dan zeg ik het nog aardig – de vader was afwezig. Ik kan mij geen enkel gesprek met haar herinneren, en de zinnen die in mijn herinneringen staan gegrift zijn klagend, kort, hol en met een galm. Ik hoor nog de toeterwoorden in mijn oren. Woorden die aan mijn oor bleven plakken zijn: bommenkop, je lijkt op je vader, serpent, en je bent altijd in de contramine. Mijn gedrag werd permanent ondertiteld. Natuurlijk wist ik niets af van narcisme, egoïsme, en hoe andere moeders met hun kinderen omgingen. Ik werd nooit thuis uitgenodigd door andere kinderen en daarvoor was natuurlijk een reden voor, die in die tijd mij niet bekend was.

   Ik denk ook, dat vanaf het moment de ik voor het eerst een schoolboek las, dat schoolboek anders las dan de kinderen van mijn klas, ja, andere lazen de dingen die je erin moest lezen, omdat zij een moedertaal hadden en ik moest een moedertaal verzinnen en las iets dat gewoon niet bij mij paste. Omdat ik niet in een moerstaal dacht, lukte het mij niet de regels van de Nederlandse taal te leren. Ik schreef óók nog eens anders dan andere kinderen van de klas: ik had dyslexie. Dit viel niemand op. Ik had een laag IQ, en afkomst en was, in het jaar 1961, twaalf jaar en schreef op de tast, gevoel, drift.

   Ik doe dit nog steeds, op de tast, in een flow, als een wilde rivier schrijven, tot ik vind dat wat er moet staan, ook zo moet blijven staan: anderen begrepen er toen en nu, geen hol van. Wat betreft mijn IQ, dat valt best mee.

   Ik was een dwaalgeest, en altijd opzoek naar mijn eigen taal. Zo hief ik mijn eenzame dagen en nachten op met schrijven. Zo kon ik de stilte in mijn hoofd bereiken, de stilte die zonder dat ik het wist, het werk voor mij deed en mij iedere keer weer verraste met nieuwe invallen, beelden en gedachten: schrijven in een stromende beleving van de stilte. En als ik schreef, was ik gelukkig, omdat ik stil zat, geen last had van de herrie in het huis, de woonwagen, de ander en de wereld; in stilte schreef ik, de stilte die op een of andere manier altijd met een tekst komt, in een flits en of ik nu wel of niet wil, moest die tekst, op het papier staan. Ik heb een sterk geloof dat deze manier dichter bij mijn brein past, dichter bij de stilte kan ik niet komen, dichter bij de chaos ook, en niet in ik een andere taal kan denken dan ik geleerd heb op school. Verder stoorde ik mij niet of een ander het begreep, tot…, tot ik veel later, op mijn zeventigste, in 2020, een paar gedichten opstuurde naar ‘Me ander’. Ik kreeg terecht een harde en koude afwijzing, dat kon ook niet anders. Ik was niet gered geweest als Me ander het had geaccepteerd. En toch, het had soelaas gebracht als ze het begrepen hadden. 

  Om een voorbeeld te geven hoe ik naar de inhoud van mijn hoofd, het breingebeuren kijk, met dit versje:

ik ben weinig schoolgegaan

meer zou ik ook niet willen

want anders vernietig ik mijn 

verbeelding en zal van mijn 

mij niets meer overblijven

raak ik natuurlijk alles kwijt

in stilte zal ik moeten leven

maar de literator inquisitoren 

scherpen hun messenwoorden 

kerven in mijn schrijvershand  

zo gebogen mogelijk 

zonder op te kijken loop ik 

steenachtig tussen hen vandaan 

alleen de stilte leidt mijn pennenhand

trek ik woord voor woord

splinters uit mijn hersenhart 

en volg ik mijn verstand

de weg van de stilte vertelt 

wat van mijn schrijvershand

   In het verleden, schreef ik zo nu en dan een brief naar een krant en werd mij onomwonden verteld dat het níet mijn moedertaal was waarin ik schreef. 

   Kwam dat omdat ik mijn geboorteplaats New Jersey city had opgegeven: New Jersey city Amerika? en er na mijn geboorte er enkele jaren gewoond had? Het was voor de redactie meteen duidelijk: aan mijn teksten kon je af te zien om mijn teksten af te wijzen. Ja, er zijn wel enkele teksten, brieven van mij in dagbladen gepubliceerd of andersoortige bladenmakelarijen, maar toch kreeg ik steeds te horen dat het Nederlands niet echt mijn moedertaal was. Wat wel gebeurde, – met dezelfde taalbeheersing, …ik won een tweede prijs korte verhalen Vrij Nederland, een brief werd geplaatst in NRC Handelsblad, Het Parool, twee artikelen in Argus, maar er kwam altijd die maar, komma drie puntjes, het is niet…: u weet wat ik wil gaan zeggen. Niet. Dat woordje niet.

   Kan ik schrijven? Ja, ik kan schrijven. Want ik hoor ook: Jij kan het. Wat kun je mooie brieven schrijven. Jij kan gedichten schrijven, volhouden, werd vaak gezegd door dichters van naam. Het kan een mooi verhaal worden, er zitten originele dingen in, prachtige zinnen, u heeft een eigen stijl, en een eigen kijk op het leven, maar, komma drie puntjes, kunt u, een rode draad in het verhaal brengen? 

   Ik ben geen Baudelaire die getuigt van het tussengebied tussen brein en de wereld om mij heen: tussenmens. Nee. Maar ik put mij wel uit in zinloze protesten en vergeefse pogingen mij aan te passen, aan de taallogica, dat lijkt mij niet de goede weg, toch wil ik dat men mij begrijpt. Hoe meer ik mijn best doe, mijzelf te zijn – wat dat ook mag betekenen, hoe groter de disharmonie met mijn omgeving, en hoe meer ik er vrede mee heb; hoe meer vijandige en onnozele reacties er op mijn schrijfwerk afkomen: dat ik veroorzaak. Hoe meer ik geloof in mijn werk, hoe kan ik anders, eerlijker zou het zijn dat men reageert op de kern van mijn werk en niet op de regels waaraan ik mij moet aanpassen: U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar (uzelf) veranderen door uw gezindheid te vernieuwen. Romeinen 12:2a

   De positieve reacties, die gegeven werden, werden meteen daarna, als broodkruimels van tafel geveegd. De hand van mijn moeder die de kruimels van de formica keukentafel veegt: kunt u enig verband brengen in de hoofdstukken?

Zo kreeg ik een reactie van Me ander op mijn versjes: …het boeit niet, ‘semi diepzinnige woordenbrij’ en een ‘verdwaalde lezer’.

Hier een voorbeeld:

het stille woord die je wist

dat eens zal komen 

de dag dat het licht

alles in zich opslokt

en je leven voedt

(Ik gebruik hier de beruchte ‘koningsliedconstructie’ (‘de dag die je wist dat zou komen’))

Nog een voorbeeld: 

als kind dacht ik aan

later het verleden liefst in 

het nu 

verleden ’t heden in

een universum waarin

alles stroomt

voor de oerknal h’al

ikzelf word steeds jonger

morgen gister het verleden

mijn heden 

zal de zon ooit doven

het nu naar toen om het

leven terug te zien lig ikzelf

nog teder in moedersschoot

ikzelf zal stof worden en

in tussenruimtes zweven 

leeg zal ik toch bestaan

zie mij aan

  Het is duidelijk dat ik met deze verzen nooit werkelijk mijn gevoelens beschrijven kan, mijn emoties van pijn in woorden vatten kan en daarom staan ze daar ook! (Objectief zijn het spatten, kledderige spatten drukinkt, die woorden vormen en waar je, als ik eerlijk ben, toch een gedicht uit lezen kan.) Mijn innerlijk leven dat zich in de diepste donkerte van mijn brein, het biologisch wonder en buiten het bereik van woorden afspeelt, woekert, zonder drukinkt, in stilte, en voor een ander ooit maar iets verstaanbaars erover kán schrijven, moet het wel als een mooie brij overkomen: de regelloos dolende vrijheid aan de leiband van de noodzakelijkbrein. Ik pak de pen, doop hem in de Oost-Indische inkt, die honderden tekeningen van schrijvers heeft gemaakt – ik teken jaren portretten van Nederlandse schrijvers, ik altijd tussen hun smoelen verkeer, onder de invloed van hun verwekkingen, hun boeken, zelfs elke inktlijn bergt alle schaduwen van hun verbeelding. En toch, … woordkunst walgelijk? Heb ik wel zin om woorden te kiezen op ritme of klank, om zinnen in een keurslijf te formuleren naar de dwingende regels van de grammatica. Ik wil schreeuwen, in opstand komen, door het vuur gaan, gewoon willen blèren, want dan, word ik duidelijk. Huilen?, ja waarom niet, eigenlijk zou ik mij in het diepst van smart willen uitdrukken: kitsch? Ik zou een kind willen zijn, dat kind van toen…, zonder woorden en in de stilte, uit puur verdriet. Ben ik eerlijk? 

  Als verdwaalde lezer, schrijver, behept met semi diepzinnige woordenbrij, zonder een moedertaal, begrepen de redacties mijn verhalen en verzen wel? Ik geef ze groot gelijk, hun helder, kernachtig en scherpe mening zal wel belezen en heel diepzinnig zijn. Die wereld van hen, waar ik niet thuis hoorde, geen gewild oor kreeg, leek mij koud en vijandig.

   Ik hield van poëzie, – schreef ik aan mijn vriend. Om de schoonheid, verzuchtte hij, maar ik schreef terug, ik zie geen waarheid in gedichten, verzen, versjes. Ik houd van poëzie, schreef hij terug, om de schoonheid van de ziel, het hart, maar ik schreef hem nogmaals terug: ik kan er geen waarheid in vinden. Ik houd van poëzie, schreef ik, omdat geen enkele vraag in de poëzie beantwoord wordt, het gaat uiteindelijk weer om de stilte, schreef ik hem, en, vooral om het hoofd, het brein en hoe het werkt, bleef ik uitleggen. Ik schreef veel meer, tot ik wist dat ‘zelfbewustzijn’ iets is dat wij nooit zullen leren kennen: onbekend. Ik: onbekend. Zelf: onbekend. Ik, Hij, Wij, enzovoorts: onbekend = wat men niet kent, en toch gebruikt. 

  Ik moest lachen, had eigenlijk plezier in het vernuft van de reactie van Me ander, hun afwijzing was terecht want mijn verzen, versjes waren niet bestemd voor hun blad. Ik hoopte dat er enkelen toch geplaatst zouden worden. Die hoop bestond niet echt, het was meer een verlangen om via hun blad, reclame te maken voor mijn boek ‘Tussenmens’, dat boek dat door niemand is besproken, door geen enkele provinciale krant, omdat, ja omdat… .

  Mijn versjes zijn voor geen enkel literair blad bestemd. Toch doe ik moeite en stuur, als er weer genoeg grootheidswaan in mijn hoofd waait, de verzen op. Het is duidelijk, mijn verzen zijn, voor redacties van literaire bladen, niet in een moedertaal geschreven en dat is niet voldoende. 

  Geboren in New Jersey, opgegroeid in Limburg, jaren in Zeeland gewoond, een tijd – op Bickersplein te Amsterdam – in een woonwagen doorgebracht, en op een dag door mijn moeder de straat op gezet – om te werken of plotseling elders bij een familie afgezet; als viertienjarige in een kaasfabriek te werk gesteld, hetzelfde jaar in dierenpark Farmesoort – mijn onderkomen was een oude vochtige, vergeven van de schimmel, Kip Caravan – vervolgens bracht mijn moeder, en volkomen onverwachts, mij naar een man, die een scheve mond had en eigenaar was van een schiettent. (Mijn tweede boek gaat hierover.) En toen het kermis seizoen afgelopen was, werd ik weer herenigd met de familie, die inmiddels op een etage in de hoerenbuurt van Amsterdam woonde. Al die tijd las ik nooit iets. Wel zag ik voor het eerst een Nederlandse film: Rififi in Amsterdam, dat een verpletterde indruk op mij maakte.

  Of neem deze geschiedenis: op een dag, ik weet niet precies hoe oud ik was, denk een jaar of dertien, bracht mijn grootmoeder mij op een avond naar de LTS-avondschool. Na een paar dagen kwam een leraar van de P-stroom met een rood dun boekje op mij toelopen. Hij zei: dit boekje is een woordenboek, – nooit van gehoord, en hierin staan woorden, woorden hoe die geschreven moeten worden, kijk er elke dag in en leer hoe bijvoorbeeld het woord schroevendraaier geschreven moet worden. Tijdens het schrijven valt mij het volgende in: 

dichters liegen niet

zo wordt beweerd

de waarheid

dichters maken mooi

met kwaad geweten

het oeverloze van hun taalkreten

   Van wie dit versje is weet ik niet, dat ben ik vergeten. Misschien komt vanuit de stilte op een dag de naam terug. 

   Het woordenboekje heb ik nog steeds en in de schutbladen staan teksten van mij geschreven, vol taalfouten, niet om aan te zien. Maar, …ik begon, begon na te denken hoe woorden geschreven moesten worden. Vanaf die dag wist ik dat ik nooit de Nederlandse taal zou beheersen, de tijd dat ik het moest leren, zal ik nooit kunnen inhalen. Na enkele maanden LTS werd mij een baantje gegund in een drukkerij, gelegen aan de Warmoesstraat: ook het werk van grootmoeder. Tijd voor de avond LTS was er niet meer. Mijn salaris moest ik afdragen aan moeder en twee gulden vijftig kreeg ik als zakgeld. Ik kocht Gandalf, en begon met lezen. Naast kinderboeken Arendsoog, las ik Hitweek en ging voor het eerst naar de bibliotheek. Kan u, als lezer nu opmaken dat het Nederlands wat ik nu schrijf niet mijn moedertaal is. Erger u zich nu aan mijn stijl?

   Na de LTS heb ik een aantal maanden op de avond-HBS gezeten. Ik genoot, had geen moeite met leren, ik had moeite met het leven, de liefde, nymfomaan vriendinnetje, jaloezie en angsten, vrees voor het leven. Ik dronk mijn eerste biertje: wat was dat vies. Algauw dronk ik net zo veel als mijn leeftijdsgenoten van zeventien, – die geen boeken lazen.

Terug naar het begin: Nederlands is uw moedertaal niet.

   Inmiddels heb ik duizenden Nederlandstalige boeken gelezen. Toch stoort mij iedere keer weer de woorden, zinnen, gedachtes die een schrijver uitdrukt in zijn boek, om de simpele reden, dat de schrijver geen rekening houdt met wat ik noem: het neurologisch wonder van het brein.

   Een tekst van Cervantes schiet mij te binnen: Zelfkennis zal voorkomen dat je je net zo opblaast als die kikvors die zo groot als een os wou zijn, want doe je het toch, dan zal het besef dat je in je eigen land varkens hebt gehoed dienen als de lelijke poten bij de pauwenstaart van je dwaasheid. (Sic.)

   Via talrijke krenkingen als, Nederlands is uw moedertaal niet, verdwaalde lezer enzovoorts – wat ook klopt, is mijn zelfkennis groot genoeg om niet door een kudde schrijvende redacteuren te worden overlopen en verpletterd te worden, dat hun vernuftige taalkrenkingen en taalschofferingen mij, als schrijver, mijn onkwetsbaarheid af willen pakken: mijn origineel-, oorspronkelijkheid en mijn natuurlijke manier van lezen en schrijven der Nederlandse taal, bekritiseren en wel op een manier dat ik beter kan stoppen. Hadden zij, de taalwinders, via hun afwijzingen, blijk gegeven, en, mij erop gewezen dat ik in mijn eigen taal schrijf, door mijn leesbril lees, dan hadden ze misschien iets kunnen ontdekken wat zij missen: mijn creatieve kwetsbare onkwetsbaarheid als kunstenaar schrijver.

Waarom wil, lukt het mij niet, te lezen en schrijven zoals hét moet?

   Ik ben alleen, alleen met dit soort dingen, alleen met mijn stilte. Anders lezen en schrijven dan het gangbare lezen en schrijven, maakt van mij geen terneergeslagen kunstenaar. Toch ben ik breekbaar opgewekt en verzamel ik de scherven die het schervengericht hebben veroorzaakt en lijm ik de stukken weer aan elkaar, zo ik mijn strijdbaarheid en vastberadenheid en de littekens tonen kan.

Voorbeeld:

al wat ik hier heb geschreven

ontbreken de woorden die

vol vuur niets zijn over 

-komen en door geen handen

zijn aangeraakt naakt

onaangeroerd verdwijnen

bleek zo wit als dit papier

in de stilte van mijn brein

   Ik besluit mijn leven te beteren en ga het de volgende keer toch weer proberen, niet dat het mij lukken zal. Misschien kan er iemand opstaan die de verzen begrijpt en er een mooi boekje van wil maken.

   Nooit zal ik mij bekeren tot een geloof, hoe vals en onecht dit ook klinkt, hoe je schrijven móet.

   Groet, kus en als je weer langs komt neem dan alles van Fleur Jaeggy mee. (Nederlandse vertaling.) Je weet ik hou het meest van vrouwelijke schrijfsters die hun schrijfscheur durven open te doen en kit hebben. Niet die uit de polder en hun verboden liefde, dood en geloof, kerk en familie ellende. Marguerite Duras heb ik alles van gelezen, opnieuw zoals je weet en Christine Levant, Claris Lispector ook. Kan er nog 5 noemen, pas daarna komen mannen.

Liefs,

Robert Kruzdlo

De taal van de geluiden.

1953 Ik wil het over de taal van de geluiden van de dingen hebben. Niet over het algemeen beschaafd Nederlands dat je op je zesde of eerder begon te spreken. Maar over de geluiden van de stad Amsterdam met zijn duizenden fietsbellen, krakende trappers, wapperende jassen, kniepantalons en lange kousen en de kreten die foeilelijk klonken: plat Amsterdams. De politieagent, met een lange witte jas en op de drukke kruispunten het verkeer met een verkeersklapbord stond te regelen; de schelle fluittoon en het getoeter van auto’s. Je kreeg niet de fiets van Leonard da Vinci: de loopfiets. Ken je het verhaal van de hoge bi een Rus die tweeduizend kilometer aflegde naar Moskou op een loopfiets? In 1801. Nee, natuurlijk niet, maar nu heeft bijna elk kind een loopfiets. Het kleine looppaard genoemd, voor en achter een wiel. Op je tiende maakte je van een driewieler een auto. Je zette er een groentekist op met gaten waardoorheen je benen staken om de trappers te bereiken en zo reed je rondjes achter op de binnenplaats van de villa. De stalen ros, die in de vroege ochtenduren door de straten van Amsterdam reed, duizenden stalen rossen zwermden, in de ochtenduren, als bijen naar hun werk. Arbeiterfahrrad gaat iedereen op de fiets naar het werk. Industrie- en kantoorarbeider. De helft van de mijnarbeiders ging op de fiets naar de stoflongenfabriek. Al die geluiden, in de verlichte straten, fietslampenschijsels, trillend op de kinderkopjes, rammelende bagagedragers, fietsbellen, toeters, knijphoornen, het moet allemaal je oren zijn binnengedrongen. De fiets was een bevrijding. Later zal je dit ook ontdekken: op de omafiets heb je fietsen geleerd. 

At moeder haring? Hoorde je het orgel en het geschreeuw van de pindachinees. Heb je de geur van friet geroken. Zullen deze herinneringen straks weer ontwaken in je lichaam, opnieuw in je bloed stromen?

Moeder nam met jou de trein naar Maastricht. Gebeuk en geklop van de stoomlocomotief op de wissels, de sissende en de knarsende wielen, het gefluit: was je niet bang? Heb je de windmolens, de sloten, het groene vlakke land met de boerderijen, de koeien en de hoog opstuwende wolken, gezien vanuit de trein? 

@robertkruzdlo 2021

MANNAHATTA

New York City 1950

1

Een foetus heeft geen keuze om ergens doelgericht naar te luisteren. Hij, in mijn geval, hoort waarschijnlijk het kermis-gereutel van de moederbuik. Deze geluiden zitten opgeslagen in mijn brein als basis voor de taal. Dat vraag ik mij af. 

In 1949 op een kille aprildag, niet ver van de skyline van Manhattan, werd ik op de wereld gezet. Overal waren bouwwerkers te zien, hoog in de sky, zonder hoogtevrees, met hun benen bungelend boven de stad. Door de dichter Walt Whitman ‘MANNAHATTA’ genoemd. Zo ook mijn vader. (Manna-Hatta een indianenvolk.)

‘Numberless crowded streets, high

growths of iron, slender, strong,

light, splendidly uprising toward

clear skies …’ las moeder waarschijnlijk.

Stad van de wereld, van miljoenen gezichten in beton en staal. Een tiental kilometers van de rijzende stad scheette ik de eerste luiers vol. Het geknetter van excrementen, gesis van urine stralen en darm-symfonieën kende ik al. Losgeknipt moest ik het allemaal zelf ervaren. Door de nauwe opening geperst, in weerkaatsingen van elektrisch licht gelegd, ontsloot het gehoor zich en tikte mijn hartje tegen het gebeuk van vader en moeders borst, de overwinning. Ik ben geboren in New Jersey City tussen miljoenen zolen heeft mijn kinderwagen gestaan. 

In New Jersey City sprak niemand beschaafd Amerikaans-Engels. Mijn ouders spraken Pools-Amerikaans en moeder Nederlands-Amerikaans. Grootvader en -moeder van Poolse afkomst, gevlucht voor de Russische revolutie, teruggekeerd en weer gevlucht voor de Duitse invasie, spraken nauwelijks Amerikaans-Engels. Overgrootmoeder en -vader hadden een universiteitsopleiding, maar ik weet alleen dat ze beter Duits spraken dan Engels. De familie hoefde niet eerst naar Ellis Island. Tussen deze mensen schreeuwde ik om moedermelk en bogen ooms en tantes, buren en vrienden zich over mij heen om wat te zeggen in hun eigen taaltje. 

Je had de Pool, Italiaan, Ier, Schot, Spanjaard, Jood en nog tiental andere bevolkingsgroepen die over de trottoirs hun heil zochten: allemaal spraken ze een Amerikaans-Engels. Veerponten volgepakt met werkers, die van de boten stroomden, de kade van Manhattan op. Mannen droegen dassen, hoeden en petten, vrouwen versierde hoofddeksels, stroomde hun voetstappen de kade op en verspreidden zij zich over de stad. Karren en paarden zochten zich een weg tussen het publiek, en ik, ik lag in de kinderwagen en hoorde het geknars van de wagens en wolken stemmen. Het geknisper van de krant die vader kocht. Op de parkbanken lazen mannen de courant in de zon. Langs de enorme hoge gevels van marmer, oprijzend naar de hemel, blauw en soms doorklieft door een propellervliegtuig de wolken. Enorme rookpluimen stegen uit het wegdek en boven de wolkenkrabbers dwarrelde soms een onheilspellende wolkenpartij. Mijn kinderwagen werd langs machtige ramen gereden waarin de wolken voorbij reden en de zon kletterend mijn ogen verblindde.

Met de blote handen en een hamer werden de brokken graniet gespleten. Enorme graafmachines hesen grote brokken graniet op schepen. Hijskranen brachten hoog de stalen ribben aan en de werkers liepen als ratten over de stalen balken. Tussen het geschreeuw hoog in de lucht, langs de kade sprankelend water, glinsterend als gebroken glas, liep moeder de loopbrug van de New York – Amsterdam line op. Lange slierten rookpluimen verdwenen boven de Hudson rivier. We verlieten de wereld van staal en rook, stoom en rails, voor een overtocht naar Amsterdam. De sissende hoorn joeg mij schrik aan. De stoomschepen werden kleiner en kleiner. Misschien was er nog een zoom gras van lichtjes te zien. Duwboten hun rookpluimen gingen op in nachtelijke schaduwen. De boot trilde en het zal acht dagen duren, – de oceaan had de huid van sinaasappel, voor we trillend de oceaan over waren. Dit schrijf ik nu, zeventig jaar later. 

2

At moeder haring? Hoorde ik het orgel en het geschreeuw van de pindachinees, de geur van friet. Zullen deze herinneringen weer ontwaken in mijn lichaam, opnieuw in mijn bloed stromen?

(Wordt vervolgd.) 

@robert Kruzdlo 2021

Möglichst eindeutig Maske?

Bij de psychiater. Foto Robert Kruzdlo Main USA 2016 Spychoterra.

Zwart hart.  

Het regent en het miezert niet, er stuift een minnetje zure regen door het gebladerte op mijn gezicht. Boven de zwarte vijver, die het licht gevangenhoudt, miezelt stadse aerosolen. Geen spier in mijn gezicht is vandaag veranderd: grootmoeder An had haar hele leven met hetzelfde vlakke gezicht rondgelopen, wat ze ook voelde of deed. Ik heb nog nooit een rimpel van haar gezicht zien veranderen ook niet toen zij de kop van de haan uit de kippenren afhakte. Voor ze de haan te pakken kreeg, pikte die agressief in haar spatader van haar rechterbeen. Het bloed liep als een traantje in haar klomp. Ze zorgde, – de schrik was op mijn gezicht te lezen, dat ze geen gelaatsspier vertrok.  

Vandaag verberg ik mijn catatonisch gezicht voor anderen: ik glimlach valselijk. Eigenlijk wilde ik niet naar de stad, ook niet naar het park, maar het park heeft een traliehekwerk, dat trok mij aan.   

Er klinkt cellomuziek. Zijn het de Joodse gezangen? Van wie ook alweer? Waar komt de muziek vandaan? Ik verbeeld het mij allemaal en wandel rond de vijver tot ik plotseling het gevoel heb verloren te zijn en omdat ik dat gevoel herken, neem ik plaats op een natte stenen bank waarop het korstmos zich heeft vastgezet en wacht. Op wat weet ik niet precies. Er zal niemand voor mij komen en dus is dit wachten iets heel anders. Het lucht mij op. Als de angst zal verflauwen dan kan ik naar huis, maar de uitgang vinden, dat lukt nu niet. Ik veeg een spinrag van mijn gezicht. 

De uitgang van het park kan ik niet terugvinden, waarvan ik wist dat ik die wel genomen had toen ik het park binnen liep. Wat ik ook probeerde, ik zag nergens een uitgang. Als er iemand passeert, wens ik goedendag, doe geen enkele poging om naar de uitgang te vragen. Mijn mond blijft gesloten. Zelfs de eenden in de plas wens ik een beter leven dan rondjes blijven zwemmen in het zwarte water, – maar wat weten die eendjes daarvan, die zijn niet eens eendjes, die bestaan niet: zagen die eendjes misschien hetzelfde als ik!  

Deze druilige middag, is weer zo’n moment waarop een bries, die geregeld door het park trekt, mijn gevoelens niet kan ombuigen, ook de grijze kwikachtige lucht die zwaar op mijn schouders drukt niet. Ik heb een nieuw hoofd nodig om uit het park te kunnen ontsnappen, maar waar haal ik die vandaan?  

Nu niet, straks niet, niets lukt en zo zit ik totaal verloren op de bank en wacht. Het park omheind met een robuust gesmeed ijzeren hekwerk, drie meter hoog, dikke ronde spijlen, rode bakstenen hekpijlers, maar er was nergens een toegangshek te zien: had ik mijzelf afgesloten?. 

Je zit gevangen. Je liegt. Ik wel nee, hoe kom je erbij. En zij dan? De eendjes, ook niet. Hoezo, waarom lieg ik? Nu je het zegt. Natuurlijk zit ik niet gevangen, ik zit opgesloten: Een keer hebben jongens uit de achterbuurt mij gevangengenomen, vastgebonden en opgesloten in een toren: ze noemde die toren ‘hongertoren’. De kinderen kwamen met hun moeders pas de volgende dag kijken of ik er nog was. Ik huilde en zij lachten. Ik had in mijn broek gepoept en gepist en heb mij verstopt in het park onder het boogbruggetje De Lelie. Toen het avond en het donker werd ben ik naar huis geslopen. 

De avond valt en de straatlantaarns floepen een voor een aan. Het lucht mij een beetje op. Ineens staat er een padachtige man voor me: zijn heupen breed als een binnenband van een tractorband: u moet zich uit het park verwijderen, zegt hij knorrig, ik ga de boel afsluiten. En hij rinkelt met zijn bos sleutels. U bent vrij te gaan waar u wilt, maar niet hier, u bent me toch een personage, zegt hij lachend. Ik had al die tijd naar zijn modderige laarzen gekeken en doorgezakte voeten. Verstijfd van de kou sta ik op. Hij legt een hand op mijn schouder. Ik verberg mijn opgetogenheid en barst bijna in huilen uit. 

Hoe oud bent u.

Ik, ik ben drieëndertig. 

Dan heeft u nog heel veel tijd om over alles na te denken. 

@robert Kruzdlo Spain 2021

Paul Celan

Hut waar Paul Celan door Heidegger werd geknecht, Zijn-Vergetenheid. Nu ja!.

Mandorla

En la almendra -¿qué hay en la almendra?
La Nada.
La Nada está en la almendra.
Allí está, está.

En la Nada -¿quién está? El Rey.
Allí está el Rey, el Rey.
Allí está, está.

Bucle de judío, no llegarás al gris.

Y tu ojo -¿dónde está tu ojo?
Tu ojo está frente a la almendra.
Tu ojo frente a la Nada está.
Apoya al rey.
Así está allí, está.

Bucle de hombre, no llegarás al gris.
Vacía almendra, azul real.

Versión de José Ángel Valente

Bloederige vrouwen

Val mij niet lastig/ ik ben niet zoek/wil alleen zijn/zonder jullie licht/stroomt het water/aan jullie ogen/voorbij.

Je husselt tijden, plaatsen en perspectieven door elkaar. Je wil de grammatica te slim af zijn: zo vind ik dingen uit waarvan gezegd wordt dat dat komt omdat het Nederlands niet mijn moedertaal is. (Ik ben geboren in Amerika, op mijn derde belandde ik in Limburg, vervolgens Domburg en uiteindelijk in Amsterdam in de hoerenbuurt.) Heeft de lezer hier iets aan? 

De taal is dwingend maar niet onoverwinnelijk: let maar op. Persoonsvorm wisselingen. Apollinaire deed dat ook, ‘ik en jij’ door elkaar gebruiken. (Zone: Vandaag loop je rond in Parijs de vrouwen zitten onder het bloed/ Het was ik wou dat ik kon vergeten toen de schoonheid aan kracht had ingeboet.) 

Ik schrijf soms met twee persoonsvormen: ‘ik en je’ Andere schrijvers gebruiken als hoofdpersoon de ‘ik’ soms met ‘zij’.

Heden en verleden zijn diffuus. Het is geen spelletje, het is bloedserieus. De onderbroken vorm is essentieel in het schrijven. Taal is onmacht, machteloosheid van mensen om tot elkaar te komen en om het diepste zelf te kennen dat straalt van verlegenheid als een bloedrode zon die ten ondergaat. Diepste zelf? Waar zit dat? 

Wat weten we van het brein en de werkelijkheid? Je moet net als zij, ik bedoel Fleur, hard, kil en com­pact formuleren en als je wijdlopig wil zijn in je schrijven, laat dan die dingen weg om het ‘kort te willen houden’. Tekst aanbinden, geselen: woorden weglaten, tot je bijna niets meer overhoudt, is zelfmoord. Uitstel van zelfmoord is schrijven. Houd je aan de regels dan gebeurt er niets met je. 

Neem de zweep mee en luister naar de knallen van de knoop. Klak, klak. Misschien wel het mooiste gedicht dat ooit is geschreven: klak, klak.

Maar ik ben niet schoolgegaan, dat wil ik ook even zeggen.

@robertkruzdlo 2020 Gedicht Robert Kruzdlo Andalusia Man Amour.

Onver mag mogen.

Onvermogen kan vermogend zijn.

Mijn hoofd zei: je mag niet alles zeggen, al is het de waarheid, en die stem in mijn hoofd klonk als de stem van grootmoeder An: met de stem was ik het niet eens. Ik tuurde door het zijraampje van de auto naar buiten, zag niets, dan mijn eigen onvermogen en voelde plotseling de zwaarte of aantrekkingskracht van de eenzaamheid. Ik wilde alleen in mijn lichaam zijn; ik zag mijn spiegelbeeld niet. Ik keek recht in het gezicht van het onvermogen, de leegte, niet meer en niet minder een angstig gevoel met als doel …? Pas nu drong het tot me door: het vermogen hebben om het te zien.

@robertkruzdlo 2020

Ontzijn

Christine Lavant

Het is nog donker als zij over het zandpad dat van zee komt aanlopen. Achter haar is een lint ochtendlicht te zien, dun in allerlei kleuren, en als ze de dorpsstraat inloopt, weifelt, stopt ze onder het licht van de enige lantaarn. Vlekkerig schijnt het geel straatlamplicht, een de plek waar ze op haar schaduw belandt. Herkent ze mij? In de tegenovergestelde richting loop ik naar zee, om naar de zonsopgang te luisteren. Als ze mij, – ik ben op een meter genaderd en twijfel of ik zal passeren – met haar ogen vraagt of ik halt wil houden, heft ze haar beide armen op als uitslaande vleugels om samen op te stijgen. Daar schrik ik van: voel nog te veel grond onder mijn voeten. Ontmoedigt laat zij haar armen zakken, om die om mij heen te slaan en zie ik hoe zij zich plotseling weer bedenkt. Haar hoofd al dicht bij mijn wang, wil zij zich niet tegen mij aanvlijen. Eenzaam zijn wij met onze vraag: wat zullen we doen? Het is geen vraag. Lopen verder, ieder haar eigen stroeve richting. Hét antwoord op het verlangen blijft leeg en achter mijn schaduw loopt het ook naar zee; nooit zal ik die inhalen, daar is de lezer mee eens.

De mens is, zonder woorden, schrijf stilte.

@robertkruzdlo 2020