Babelstad 3

De favoriete zanger van Louis Ferdinand Céline.

Christus heeft aan het kruis een schimmelbleek gezicht. Als je aan twee spijkers drie uur gehangen hebt – de derde was min of meer een voetsteuntje – zie je er heel anders uit dan op schilderijen te zien is, maar goed: door zijn handwortelbeentjes werd zware, vierkante smeedijzeren spijker geslagen, het hout in. Christus en Maria huilen dikke tranen, de kerkbezoekers kijken onder het bidden gelukzalig, devoot naar de heilige beelden, lelijk of niet en naar de tranen die maar blijven vloeien: onbewogen bewegen. Ik herinner mij het zigeunerjongetje met traan dat thuis boven het massief licht eikenhouten buffet hing en waarop precies in het midden een vissenkom stond; maar dat was in de beslotenheid van de woonkamer; het weeskind, een zigeunerjongetje, een echte Bragolin, de lange zwarte wimpers en bolle wangen dat soort kinderen zie je hier ook, net als de gelaatsblikken van brutale zigeunervrouwen die ik lang geleden in films van Luis Buñuel zag. Je hebt mensen die goed kunnen huilen. Vooral als ze dronken zijn. Hun verdriet stroomt als zeikstralen uit hun ogen, ze zijn niet te stoppen en ze roepen, als hun stroom tranen dreigt te stoppen, nog meer ellende op die zij zelf of een familielid meegemaakt hebben: incest, kanker, armoe en natuurlijk de politieke ongelijkheid. Allemaal redenen om maar in een snik bui uit te varen op een oceaan aan verdriet. De ellende moet iedere keer weer opnieuw beginnen. De rest van de wereld laat hij nog even buiten de traanklieren. Door drank en mousserend huilen. Het zou niet misstaan tussen de zee aan tranen die hier in de kerk vloeit een beeltenis van hem op een sokkel te plaatsen met de tekst: Weltschmerz en het teleurgesteld vlees. Het nadeel is wel dat de persoon in kwestie níet over zichzelf hoeft na te denken want dan zal de tranenrivier uitdrogen en het doorweekte masker afvallen. Ik loop naar buiten het zonlicht in. Mijn huid tintelt. De geur van bloeiende sinaasappelbomen, de bougainvillea, margrieten en zoveel meer. Het is april. Ik daal de trappen af naar de babelstad. Wie ben ik?

Mijn gedachten banen zich schokkend een weg door de babelstad.  

@robert kruzdlo20121

Babelstad 2

Palacio del Virrey Laserna? Pijn. Vanaf de achttiende eeuw. Pijn. Weelde opgebouwd uit slavenhandel. De stad is gebouwd met het bloed van slaven. De kerken zitten vol kogelinslagen. Pijn. De Spaanse burgeroorlog woelt de herinneringen nog steeds los. De stad kent duizenden doden die onvindbaar ergens liggen begraven. De wind blaast gaten in de gevels, brokkelt af en verzand. Overal schilferen de buitenmuren af, rotten de kozijnen weg, splijten de voordeuren en stinkt het naar vocht; dichtgemetselde ramen en deuren, daken ingestort: er woedt een stille oorlog. De muren van de woningen zitten vol zwarte kankervocht. Ik loop een winkel binnen, zomaar. Een vrouw met roodeekhoorn haar knijpt in de billen van een te jong meisje en haar hand schiet tussen haar billen. Er wordt gelachen en gesmoesd. De warmste plek van de vrouwen broeien. Ik ga een café binnen, eenvoudiger kan niet, en bestel toast met paté. Een groot blik paté wordt voor mij neergezet en ik schep met een lepel paté uit het blik. Een oude man met één rood oog, rotte tanden, kijkt mij vragend aan. Ik zeg niets. Pas veel later zeg ik dat ik uit Holland kom. Ik lieg. Wat maakt de waarheid uit. Denk aan Célline naar het einde van de nacht. Waarom weet ik niet. Of is het dit: Sinds mijn 12de jaar verdien ik mijn eigen kost. Op de kermis, Dierenpark Amersfoort, Victoria Hotel, en alles heb ik van binnen uit bekeken: mijn bazen waren onderdrukkers. En nu willen ze dat ik er niet over schrijf. Vooral dingen die ik nooit gezien, niet geschreven heb en ook nooit gezegd hebt. Vreemd. Als ik gedaan had wat men toen tegen mij zei dat ik moest doen, had ik een kasteel kunnen kopen. Ik ben het voorbeeld van hun slechte eigenschappen. Dat willen ze niet. De ellende die je tegenwoordig in romans te lezen krijgt zegt weinig of niets tegenover het ellendig leventje dat ik heb gehad. In plaats van al dat zouteloos geleuter zouden die schrijvertjes eens iets leesbaars moeten schrijven. Ik weet niet of ik nu Céline zit te paraferen. Mensen willen in een dictatuur leven. En er zijn mensen die dit niet willen; helaas, voor hen is het een onbegonnen zaak de vrijheid zonder dictatuur te veroveren omdat de mens vol haat zit, zelfhaat en haat die de wereld vernietigt. Uitholling van de democratie gaat gewoon door. De mens zal het niet overleven op deze planeet. Lees de boeken die er geschreven worden en je weet: wij maken geen enkele kans. Behalve als er literatuur tussen zit, dan maakt de mens een kans, geeft de mens een sprankje hoop. Ik zie dat de deuren van de kathedraal open staan, duik de vette schaduw binnen en kniel voor het altaar.

 Christus hangt aan het kruis met een schimmelbleek gezicht.

@robert kruzdlo2021

Babel Stad

Spaans jongetje Palmzondag in babel stad Jerez de la Frontera Cádiz Andalusia

Ik woon in babel stad. 

Alles is nieuw en ik zal verdwalen. Ik zal nooit de dingen twee keer hetzelfde zien. Het duurt een tijdje voor ik weet wat ik gezien heb. Het is april en zomers. Straten en pleinen reutelen van mensen, terrassen zoemen van mensenstemmen. Goed opletten iedereen zit en loopt anders. Geen stel benen is gelijk aan die van een ander behalve de dochter en zoon van moeder en vader. Vaders houden hun vingers stevig rond de hand van hun dochters gekneld. Platte tienerbuiken, pubers met teveel vet, adolescenten met zwembandjes, lichamen nerveus giechelend en kletsend, ongeduldig wachten op een terrastafel. Ik sla een smalle straat in. Bovenaan de straat roept een visser of ik verse vis wil kopen. Ik schud van nee. Hij sukkelt met zijn plastic tassen verder de heuvel op. De zon schijnt vel tussen de sinaasappelbloesem. De geur is niet te beschrijven. Bedelaars houden mij tegen. Ik geef ze niets. Moeilijk de blikken te ontwijken. Ik verdwaal in deze stad met haar indrukken. Onderweg denk ik aan hen die het moeilijk hebben elders in vreemde steden en landen, nergens thuis, ontheemd en met heimwee en ongekende driften bezwaren ze het idee ergens toch een thuis te hebben. Zelfs al komen ze uit dezelfde stad. Als tranen woorden waren schreef men niet zoveel. Er valt niet te concurreren met het ‘leven zelf’ schreef Saul Bellow. Ik mijmer, langs eeuwenoude paleiselijke gevels, dat de kunstenaar van de natuur ‘kunst’ maken wil. Schrijven, dat kunnen de meesten, maar literatuur schrijven? Voor alles heb je een gereedschapskist nodig. Heb je die niet? Na een tijdje weet ik wat ik bedoel: Je volgt een cursus creative writing, houd je strikt aande regels en je levert het manuscript in. Waarom zou ik mezelf dwingen om op die manier te schrijven? Ben je jong, gender, zojuist uit de kast gekomen, een blauwe maandag bewusteloos geweest omdat je agressieve moeder een pan spaghetti boven papa’s krant leeg kieperde; vader een dweil van een man is en de adolescent uit een huis vol crisissen vlucht. Als het maar schokkend is. Of neem het geloof dat je onderdrukt en niemand meer goed kan doen; je hormonen slikt omdat je een tussenmens bent, ex-vluchteling, een nymfomane moeder hebt, pedofiele ouders, buiten je moedertaal een andere taal hebt geleerd, kortom als je maar trauma’s hebt opgelopen, de gebeurtenissen het bloed onder je nagels halen, door elkaar geschud. Trauma’s en nog eens trauma’s. Dit denk ik als ik langs het oude Moorse kasteel loop en opkijk naar de hoge muren, de pluimen van ranke palmbomen wuivend in de wind. Mijn vriend vertelde ooit hoe na de oorlog al zijn vriendjes uit de klas niet waren teruggekeerd. Waar is kunst dan voor nodig als de wereld naar de kloten gaat? En dat kunst niet in een museum thuis hoort, het museum zijn fantomen heeft, hoe tegendraads de kunstenaar ook is, hij haalt nooit het niveau van de abjecte werkelijkheid. Iets schokkends zien kan elk moment als je maar de krant openslaat en je ogen openhoudt. Is kunst een troost tegen al dit geweld? Nee, er is geen bescherming meer ook niet in de kunst. Dat is wat kunst doet. Pijn.

Palacio del Virrey Laserna? Pijn. Vanaf de achttiende eeuw. Pijn. 

@robert kruzdlo 2021 april 5

…Kunst,

Erwin Spits

Memorandum

Erwin Spits (1949 – 2021) zag ik voor het laatst eind 2019 bij zijn boekenstal in de Amsterdamse Oudemanhuispoort waar hij meer dan veertig jaar grinnikend als boekverkoper heeft gewerkt. Spleetogen, grijs haar, getekend met nog meer lijnen in zijn gelaat dan dertig jaar of langer geleden. Hij dacht dat ik een beroemde motorcrosser was en ik ontkende het niet, was blij om hem nog een keer gezien te hebben voor het nieuws van zijn verdwijning mij zou bereiken. Amsterdam was die dag wurgend druk dat fietsers zich niet of nauwelijks meer aan de regels hielden.

Veertig jaar geleden voetbalde ik bijna elke dag met Erwin en een groepje voetbal Vondelparkverslaafden. Regen, wind, sneeuw, modder of zomerse hitte, we bleven trappen tegen de bal. Met veel venijn soms ruzie achtig. Maar dan was er altijd Erwin die de heethoofden suste, zijn kleine glimmende pretoogjes kwamen hem daarbij goed van pas. Zijn stem, korte zinnen en met een goedheid waardoor de lol om te voetballen nooit afnam.

Een directeur van een kunstuitleen, een student filosofie, een muzikant, enige kunstenaars en mensen die toevallig voorbij kwamen. Een hecht groepje was het, jarenlang, verslaafd aan die ene plek, waar geen gras meer groeide, vlak bij het Kattenlaantje. Erwin kon schoffelen, harken en jolig schieten: altijd half gebogen alsof hij uit het struikgewas kroop. We werden geen vrienden, wel werd er nadien stevig gedronken in een café waar ik de naam van ben vergeten.

Met twee vrienden had ik ergens in 1975 op de Overtoom een huis gekraakt. In de kamer die ik bewoonde stond een enorme kast. Daarin sliep ik. Een keer is Erwin, met zijn voetbalschoenen nog aan op bezoek geweest; hij nam plaats op de enige stoel die er was. Een smile op zijn gezicht. We spraken weinig, lang zeiden we niets. Toen hij opstond zei hij: ‘Als je nog een boekje wil voor een piek dan zie ik je in de Poort’. Dat was alles.

Nu zegt hij niets meer, maar de herinneringen aan Erwin, al is hij een fantoom, spreken nog.

@Spanje Robert Kruzdlo 2021

Wandeling

Hollandse boerenkoolluchten tekenden zich boven de lange boulevard met palmbomen af. De warme dag voelde anders, ik had een pet nodig.

Nog maar net voorbij de vismarkt, stortte een oude man met ouderdomsvlekken neer op het plein met kinderkopjes. Zijn hoofd stuiterde als een bal. Hij greep met zijn pezige handen naar zijn hoofd: te laat natuurlijk. De in té grote kleren gestoken magere man weigerde elke hulp. Hij kwam niet meer overeind en wilde dat ook niet. Zijn ogen waren grijs aan het worden. Hoelang weet ik niet.

Halverwege de wandeling haalde een man en een vrouw – zij met een mooie paardenkont, hij met een uitgezakte bilnaad, mij in. Uit hun telefoon schetterde een Latijnse mis die zij, hoorbaar voor iedereen, mee prevelden.

Ik had nog geen halve kilometer afgelegd of een man met een boek in zijn hand botste bijna tegen mij op. Ik verkies rechts opgaand en links afgaand. Hier in Spanje is dat niet zo: ze kiezen altijd de schaduwkant.

Nog geen honderd meter verder moest ik een fietsende punker ontwijken. Uit protest reed ze op de stoep. Voor haar net zo belangrijk als de ruiten van een bank inslaan: weg met het kapitalisme. Goed dat er nog beweging in de democratie zit.

Toen ik na een uur mijn doel had bereikt, om een paar heerlijke rioja wijnen in te slaan, werd ik door een Señora Isabel Amora Dionisa aan mijn arm vastgeklampt: Vino de la Tierra de Cádiz, zei ik. Ze keek mij met grote ogen aan en zei: ‘Waar is uw haar?’.

@Robert Kruzdlo 2021

KOE DIE JE BENT

Hera pauwenogen

Een tijd geleden zei ik tegen een vriendin: ‘Een mens is soms een koe’.

Zij vond dat ik dit niet moest opschrijven. Ik antwoordde dat een mens soms zijn

daden niet kan ‘beobachten’. 

Ik gaf haar dit voorbeeld:

De dichter is een koe

Gras… en voorbij het grazen

lig ik bij mijn vier poten

mijn ogen te verbazen,

omdat ik nu weer evengrote

monden vol eet zonder te lopen,

terwijl ik straks nog liep te eten,

ik ben het zeker weer vergeten

wat voor een dier ik ben – de sloten

kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,

dan kijk ik naar mijn kop, en denk:

hoe komt die koe ondersteboven?

Het hek waartegen ik mij schuur

wordt oud en glad en vettig op den duur.

Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw

en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,

alleen de boer melkt mij zo zalig,

dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.

’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust

dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Uit: Eiland der ziel (1939)

De dichter Achterberg zegt in het gedicht ‘De dichter is een koe’: dat hij een Koe is met een mensenbrein. En waarom ook niet? In de schoonheid van dit gedicht komt de schizofrenie van de poëet sterk naar voren. Het is ook in Freudiaans opzicht een erotisch gedicht en dat is misschien een op zijn kop gezette interpretatie. Waarom ook niet: een koe kan niet beschouwen, hij kan niet denken over ‘hoe mals het gras vandaag is’ maar dat kan een mens soms ook niet! Inleven in een koe lijkt me ook wel een koeienvlaai te worden: ‘Goud en stront’, weet Jan Wolkers. 

In het gedicht Melkknecht van Achterberg, een verzamelplaats waar de dichter zijn verlangen, drift wordt bevredigd staat: …verschrokken de vliegen de koeienhuid? Verwijst dit naar de dood? (Zie onder.)

De dichter als Achterberg heeft belang bij mystificatie zoals hij in zijn gedicht stelt: ik ben een koe van een mens. 

Achterbergs leven, werk werd “getingeerd” door een noodtoestand, – u weet wat ik bedoel, maar die geestelijke gesteldheid heeft niets te maken met zijn genialiteit als dichter. 

Misschien sneven mijn gedachten, maar toch, uit de geheime kamers van de dichter komen mooie gedichten voort. Geheimen die verborgen blijven als een koe. 

Werkt dit gedicht als een katalysator? Een mens lijkt soms op een koe, hij kan zijn daden soms niet aanschouwen.

(Moest ook aan Hera met de koeien ogen, basilisken-ogen denken.)  

Melkknecht

Hij legt het spantouw om de poten van het beest,

zet zich neer op het melkblok, plaatst de emmer

onder de uier en omvat de memmen,

waarna de eerste melkstraal op de bodem sjeest.

Toegevend herkauwt ogendicht het beest.

Vliegen verslinden onderwijl zijn huid.

Met ’n luie staartzwaai is het al weer uit.

Naast melk en huid heeft hij geduld het meest.

En in de emmer rijst het zachte feest

van zingend schuim op witte overvloed.

Het is vandaag weer goed en veel geweest.

Hij geeft zich prijs zoals een dichter doet.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

@Robert Kruzdlo 2021

Drink en ruik meer sinaasappelen

Foto Margaretha Maria Haverkamp Sinaasappelplukkers in Jerez de la Frontera Andalusië Spanje

Winterdip? Wie kan zich nog de eerste sinaasappel herinneren.

1971 De smaak van de eerste sinaasappel was lippend krullend. Doorbijten, zei oma An met een stralend gezicht. Ik was een jaar of twaalf. De keukentafel lag vol met sinaasappelen, overgebleven van het luxe Badhotel Domburg waar oma werkte als hoofd ontbijtkeuken. 

Badhotel Domburg kwamen prinsen en prinsessen van verschillende vorstenhuizen, rijke industriëlen maar ook loodgieters uit Amsterdam voor de heilzame werking van de zee en natuur. Natuurlijk dronken zij bij het ontbijt sinaasappelsap uit een kristalglas. 

De sinaasappel komt oorspronkelijk uit China, ook wel Sina genoemd, waar de huidige naam naar verwijst. Wie kent het woord appel sina nog?, later het nieuwere Nederlands woord appelsien. Bedrijven als Hero en Riedel maakten sinaasappelsap. Weet u het nog? 

Sinds de deprimerende lockdowns in Andalusia waar in april de sinaasappelbloesem bloeit, Azahar, zoals de Spanjaarden de kleine witte bloem noemen een heerlijke geur afscheidt. Ik ben verbaasd over de enorme hoeveelheid sinaasappels die aan elke sinaasappelboom hangen. In de stad Jerez de la Frontera hangt de hele stad zomers en winters vol met sinaasappelen. Ze zijn zuur, maar er zijn mensen die ze eten. Het is een mooi gezicht, de oranje kleur in bijna elke straat en op elk plein. 

Jaarlijks worden de zure sinaasappelen met de hand geplukt. Boom na boom. Straat na straat. In november is er ongeveer naar schatting totaal een miljoen kilo geplukt. Het ene jaar zijn de bomen meer geladen dan het andere jaar. Je ruikt de pluk. Je kunt er mee uit een winterdip komen. De geur van sinaasappels maakt het stofje serotonine in je lichaam aan. En juist van dit stofje wordt een mens ontzettend vrolijk.

Zo stond in de krant van Jerez dat half november 45.000 kilo sinaasappels alleen al in het centrum van Jerez de la Frontera zijn geplukt. De zure sinaasappels die aan de openbare weg worden verzameld worden geplet en gebruikt voor de vervaardiging van jam en schoonheidsmiddelen. Nog steeds, het is nu februari, zijn de plukkers bezig en, … er komen al kleine nieuwe bloemknoppen aan de sinaasappelbomen.

Hoe meer zonuren een sinaasappel pakt, hoe milder (en dus lekkerder) het sap van de vrucht wordt. Pas na gemiddeld 800 uur in de volle zon zijn ze klaar om geplukt te worden. Bij Appelsientje plukken ze alleen de rijpe sinaasappels om zo de beste kwaliteit te kunnen bieden.

Hier gaan een miljoen zure sinaasappelen de containers in en worden naar de fabriek gebracht om jam en cosmetica van te maken.

2020@Robert Kruzdlo y Diario Jerez de la Frontera.

Fleur Jaeggy

Geachte Fleur Jaeggy

“Who is speaking (or writing) to whom, in what context? It is difficult to answer these very basic pragmatic questions with respect to a poem”.

“Wie spreekt tegen wie – of schrijft aan wie, en in wat voor een context?

Het is moeilijk om deze nogal fundamentele pragmatische 

vragen te beantwoorden en tegelijkertijd het gedicht – kunstwerk – te respecteren”. 

Wat deze vraag kan verdiepen: wie spreekt de schrijver aan vóór hij maar een woord op papier heeft gezet. Ik ben met deze vraag lang bezig, omdat die stille stem, die de dichter aanspreekt, geen persoonsvorm heeft en ook geen ding is of een mannetje in het hoofd: talloos Homunculi. Hij springt over deze vraag: Übersprung. 

De dichter heeft er geen interesse in. Voor mij als kunstenaar is dit nu juist belangrijk; dit is mijn koers en soms lees ik het ook bij anderen: …hemelsbrede vraag die wij niet kennen, heel ons leven pennen we voort.

Achter de schrijver staat een niet-persoon mee te kijken, een taalloospersoon.

De niet-persoon ziet zichzelf niet in de spiegel. Er is geen afbeelding, zonder schaduw, zijn lichaam is dat hij strooit met emoties, gevoel en uiteindelijk tikt de dichter het uit.

De geest, die meekijkt kan ook. Het is zonder persoonlijk voornaamwoord, ook is het niet “de ander” – volgens Satre. Zelfs dacht ik even aan de heteroniemen, zoals de zesjarige Fernando Pessoa zijn eerste onbestaande kennis verzon – een zekere Chevalier de Pas, ‘in wiens naam ik brieven van hem aan mijzelf schreef: in mij was een meester verschenen’. Zonder de ik?

Grillig ontglipt een gedachte zonder vorm hem terwijl hij probeert die te begrijpen, schrijft je! (Fleur Jaeggy.)

…2020 Robert Kruzdlo

Taalloos ik denken

Taalloos bubbel idee

De schrijver,

Wat vond er, buiten het bewustzijn, precies plaats die nacht? Welke lichamelijke onderdelen, organen, spieren en neuronen, waar het bewustzijn nooit komt, speelden een rol? Zijn de anonieme lichamelijke achtergronden waar jij geen enkele zeggenschap over hebt, niet de eigenaar van wie jij bent: het brein, de homeostase, de mede-beslissers?, waaruit jouw ideeën tevoorschijn komen, uit een lichaam, jouw lichaam, uit de stilte, taalloos en ineens zie je één feit; die je treft, hard zonder het talig te benoemen en dat je weet, ik wil schrijver worden. Uit het woordeloze niets schiet als een vuurpeil je verlangen te voorschijn. Omdat alle moeilijkheden van het leven ergens moeten beginnen eer je erover kunt nadenken, zal ik antwoorden, en oprecht.

(…)

Elke vezel van je lichaam denkt mee… .

Die nacht, na het explosieve drama, werd ik zachtjes wakker geschud. Geschrokken opende mijn ogen zich. Blindzicht, oogsterren verdwenen traag; een streep helder maanlicht dat door de kier van de deur scheen verdween en kwam weer terug: een figuur schoof langs de reet opengebleven deur. Weer een aanraking, het moest van een vrouw zijn. Haar moszachte vingers streelden over mijn rug naar mijn hals en door mijn haar, terug met haar, heel lange nagels naar het elastiek van mijn onderbroek. Ik draaide mij rillend om. Eerst weifelend, dan in vloeiende beweging als een warme golf landen de vrouw naast mij: haar armen als een hoefijzer baai. Ik lag als een plank, ontspande en wachtte op wat het warme lichaam ging doen. Ze ademden snel. Toen zij zich als een octopus rond mijn middel had vastgezogen, wist ik het.

Schuif even wat op zeg.

Lidia!

Ja, ik ben het.

Ik had geen woorden en ik zou op dat moment er ook niet één kunnen verzinnen, zo natuurlijk scheen alles. Zou dit voornamelijk komen omdat ik mij toen heel natuurlijk vond? Wat bezat ik? Haar? Zij mij? Er had nog nooit iemand naast mij gelegen, mij aangehaald.

Zullen we gaan neuken?

Goed, maar doe de deur van de aanhangwagen dicht, stamelde ik, wat ik nu juist op dat moment helemaal niet wilde.

Ik had mij omgedraaid, met mijn hoofd naar de stalen wand van de materiaalwagen en wachtte met een bonzend hart af wat er ging gebeuren. Toen, toen, toen, na schaviel achtige geluiden van haar kleren…, lag ze plots naakt naast mij.

Naakt op naakt, zei Lidia.

Nooit gevoeld.

Heb je het dan niet gelezen in het boek?

Ja, …maar dat betekent toch niet?

Ja dat betekent dat, nu, nu en in de eeuwigheid, mij zal moeten neuken, ik lig klaar. 

Ze haalde diep adem, greep met beide handen mijn lendenen vast, drukte een bos haar tegen mijn pik, – het prikte pijnlijk over mijn besneden piemel. Ze greep naar wat zij wilde, haar wil en wat ik niet kon weigeren, dat zij het wilde en als ik het niet had gewild was het mijn pik wel die wilde en daarom, – dat wist ze, moest ook ik, het wel willen: de wil wil wat het wil en alleen de wil kan willen.

Je moet met je bekken drukken, ik bedoel, je moet stoten met je pik.

Ik stootte. Zompig geluid, zuigend geluid, vacuüm geluiden; haar buikspieren strak en ze tilde mij met haar heupen op.

Met een lage, donkere stem zei ze: harder, hoger, hier en haar hand ging naar haar vulva, ik voelde haar aanwijzingen met mijn buik, de plek die ik met mijn schaambeen moest schuren.

Hier, drukken, harder stoten.

En dat deed ik. Het was niet mijn plicht, het was méér dan mijn plicht, ik gaf mijn lichaam aan Lidia. Het was niet slaafs, het was niet onderdanig, het was mijn gave aan haar: Goddelijk.

Ik kom, riep ze.

Uit haar borstkast kwamen remmende, knarsende stemgeluiden en dan een langgerekt schriel keelgeluid. 

Laag register: kom maar, zei ze hijgend. Straks zuig ik je af.

Is dat een straf?

Nee, dat is een cadeau. Let maar op als je piemel diep achter mijn huig…, verhuigd zit, zei ze.

Kietelt het?

Wacht maar.

Nat. Mijn piemel was nat. Mijn handen zaten onder een vreemd soort dradig slijm. Het rook naar zure melk, geuren die ik niet kende en niet van opgewonden raakte.

Kom op mijn borsten zitten. Je bent sterker dan wie dan ook. Niemand kan je iets doen.

Ik liet een scheet.

Geeft niet. Explosie.

Schokkend vloeide alles uit de kleine opening, die even te klein was. Het stroomde warm, heet door de opening mijn penis, zoveel…, zoveel had ik mij nooit kunnen voorstellen en ze slikte alles in. Toen ik dacht, ik ben klaar, kwam er nog wat. Ik trilde niet van angst, maar van een onzeker genot. Hoe weinig er dan ook voor de derde keer uitkwam, viel ik uitgeput voorover op haar. Ze duwde mij van zich af. Mijn lichaam schokte en trilde. Ik lag op mijn koude plaats en voor ik het wist, was ze weg. Ze rende naakt, met haar kleren in haar hand, de materiaalwagen uit. Achtergelaten tussen allerlei geuren, van zoet, zuur, ranzig en zoutige plakkerige plekken op het laken, viel ik klam opnieuw in slaap.

Een paar klappen op de materiaalwagen: Kees. Hij riep door de openstaande deur of ik uit mijn nest wilde komen. Op de rand van het bed wreef ik de slaap uit mijn ogen, zag ik, naast het bed een stapeltje boeken. Er lag een briefje op: Deze zijn voor jou. Een woordenboek, Nathalie Sarraute Het gebruik van het woord, en kom op, kop op, op de muziek van de toekomst kun je niet dansen, dus doe het nu, liefs van Lidia.

Kees: Kom je nog uit je stinkend nest?

Ja, ja kom eraan, ga mij eerst wassen. (Ik veegde een haar van mijn lippen.)

We breken de boel af.

Vertrekken we vandaag?

Ja, we gaan naar Dresden.

Dresden?

Ja, in de namiddag, rijden we naar Duitsland, via de Duivelsberg, daar woont een familielid, de enige die de oorlog heeft overleefd.

Jij en …?

Zus, zonder benen. Je zult schrikken, ze draagt een masker.

Die ochtend wist ik, in een oprisping, voor het eerst wat ik later wilde worden, maar ik vertelde het aan niemand. (Het gehoefde ook niet en waarom het niet moest wist ik niet. Pas op mijn zestigste vertrouwde ik het aan iemand toe.

Ik zag het als een feit. Kleedde me ontspannen aan loond door wat er allemaal gebeurd was en waste mijn geslacht en voeten op de openbare wasplaats, beschut door een lage houten omheining: één waterkraan voor iedereen, elk willekeurige voorbijganger kon m’n reet kussen. De  bloedhonden van de kermisattractie Hollywood spookattractie waren al vertrokken. Op het bijna leeg plein echode stemmen. Priemend staken de hijskranen in de lucht, tegeltjes wit en hieven grootmateriaal op de laadwagens. Vrouwen en kinderen rolden gezamenlijk het tentzeil op. Soms hoorde ik van ver geschreeuw, kreten van namen en zwaaide men wild met de armen. Onder een lucht met geen enkel wolkje.

Terug in de materiaalwagen zocht ik eerst in het woordenboek het woord verhuigd op. Ik kwam niet verder dan huigen. Je kunt dus ook je eigen woorden maken. Nu wist ik het zeker, ik was besmet met ik wil schrijver worden.

De schrijver,

Wat vond er, buiten het bewustzijn, precies plaats die nacht? Welke lichamelijke onderdelen, organen, spieren en neuronen, waar het bewustzijn nooit komt, speelden een rol? Zijn de anonieme lichamelijke achtergronden waar jij geen enkele zeggenschap over hebt, niet de eigenaar van wie jij bent: het brein, de homeostase, de mede-beslissers?, waaruit jouw ideeën tevoorschijn komen, uit een lichaam, jouw lichaam, uit de stilte, taalloos en ineens zie je één feit; die je treft, hard zonder het talig te benoemen en dat je weet, ik wil schrijver worden. Uit het woordeloze niets schiet als een vuurpeil je verlangen te voorschijn. Omdat alle moeilijkheden van het leven ergens moeten beginnen eer je erover kunt nadenken, zal ik antwoorden, en oprecht.