Menselijk gedoe

Onno Boerwinkel kijkt uit op de Via dei Condotti Rome

5 november Rome, De zon staat laag en schijnt kiezelhard de Via dei Condotti en Piazza di Spagna binnen – alsof een hemelse deur openstaat. Omdat het winter is, dringen de gedachten in mij op, dat het licht winterlicht moest zijn. Onzin, licht is licht. De zon blijft de zon. Zomer, herfst, winter en de lente, de zon blijft dezelfde al miljoen jaar, maar het gevoel, de beleving is anders. Ik dartel als een oude man naar Davanti a la Chiesa en vervolgens wandel ik naar mijn favoriete koffiehuis: Crico. Ineens schiet mij te binnen de naam van een kunstenaar. Verhip die is hier ook geweest en heeft achteraf krijttekeningen gemaakt van dezelfde straten en pleinen waar ik bijna dagelijks kom. Hoe heet hij ook alweer¿ Zijn krijttekeningen zijn vlekkerig en laag op laag. Je krijgt het idee dat hij in detail niet kan tekenen. Gedetailleerd lukt het niet de mens neer te zetten. Hij zet de mens in contouren. Met korte heftige hanenpoten. Ik kom niet op zijn naam. En dat zorgt ervoor dat hij in kleine kriebelige vlekjes het beeld opbouwt. Iets wat je niet kunt, kan het andere uitlokken: hij morst schoonheid. 

Ik ben nu twee maanden in Rome. Ik ben hier om mijn boek KERMIS nog een keer goed door te nemen. Het tweede deel is een ramp. Tot nu toe heb ik nog geen hulp van derden ingeroepen. Het moet nog geredigeerd worden. Dat komt later.

Omdat ik de slaap niet kon vatten – de naam van de kunstenaar schiet mij niet te binnen, luister ik naar VPRO-radio. Een uitzending van 28 januari 2014. (Zie onder.) Frederique Schut vertelt o.a. over een relatie die zij op haar zestiende had met een oudere man. Meteen moest ik aan Marieke Lucas Rijneveld denken: Mijn lieve gunsteling. Twee boeken die thematisch iets met elkaar gemeen hebben¿

De schrijver Zhij of schrijfster, hebben geen nieuwe Lolita’s geschreven. De boeken zijn oer-Hollands, plat, en vooral plastisch poëtisch. Nu schiet de naam te binnen: Onno Boerwinkel. Een vogelperspectief kunstenaar. Oordeel zelf.

U moet de twee boeken lezen en uw eigen lezersoordeel vormen. 

Frederique Schut

28 januari 2014

In 2011 voltooide schrijfster Frederique Schut als eerste Nederlander de Mongol Derby, ’s werelds langste en zwaarste paardenrace. In ‘Missie: Mongolië’ beschrijft ze de reis door een land dat haar volkomen vreemd is, onder zulke extreme omstandigheden dat alles onder druk komt te staan: haar ervaringen, haar gezondheid, haar relatie, haar moraal. Pieter van der Wielen praat met Frederique Schut over haar paardenavontuur.

https://www.leestafel.info/frederique-schut

Rome 5 december 2021 @Robert Kruzdlo

De vlucht uit de literatuur

Samuel Beckett 1971

verklaar brein wat ik niet verklaren kan

wat ik niet ken toch aan lieflijk blijft

slechts een vraag liefde waar ben je

wordt de liefde steeds vaker gemist

alleen het brein kent haar knechten

*

Zou zomaar een gedicht van Ingeborg Bachmann kunnen zijn. Het gedicht is van de Spaanse schrijver Sixto Maria Tias een onbeduidend dichter uit de achttiende eeuw woonachtig in Olot Spanje.

*

Ik ben in Rome en sta in de Via Bocca di Leona 60 Rome centrum niet ver van het Piazza di Spagna voor het appartement waar Ingeborg Bachmann heeft gewoond. Gister heb ik voor een ander appartement gestaan. In Via Ripetta 226 dicht bij het Mausoleum van Augustus. Hier woonde Bachmann van 1966 tot 1971. (Niet ver van Villa Borghese waar ik vijftig jaar geleden al dromend rondliep.) Ik dronk koffie in haar favoriete bar Café Greco waar nog steeds veel Duitstalige komen. Sinds 1954 woonde Bachmann in Rome. Als laatste bezoek ik het appartement dat zij huurde in Palazzo Sacchetti. In dit appartement viel ze met een brandende sigaret in slaap. Bijna verzwolgen door de vlammen werd ze in een ziekenhuis opgenomen. In 1973 stierf ze aan de gevolgen van een mysterieus brandongeval. Ze verhuisde vaak in Rome door wat ze zei: de slechte mensen en het lawaai.

*

Vlak bij Palazzo Sacchetti huur ik een kamer in departement van Hotel Relais Giulia. Vrienden prijs.

Bachman is een van mijn favoriete schrijfsters. Ik lees hoofdzakelijk vrouwelijke schrijfsters. Haar enige roman ‘Malina’ schreef ze zonder schema’s op te zetten, geen lineaire verhaallijn, intuïtief komt de samenhang vanzelf. Zo moet je schrijven vind ik. Ik kijk met haar mee als ik haar lees. De woordroes maakt haar meester van haar zoeken naar het geweld dat zich in haar leven heeft afgespeeld. Moorddadige nazi-opvoeding van haar vader, de bekrompen maatschappij van de volwassenen, volwassenen waar ze zich niet mee wil onderhouden, hoe vrouwen door mannen worden vernederd en vernietigd. Haar gewelddadige vader en waarschijnlijk incest, is wat ze het meest vreest. Verwondingen waarover ze een taal wilde vinden en niet vindt. Soms.

Ik moet denken aan de nachtmerries die ze heeft: De vader, neemt haar mee naar het kerkhof van de vermoorde dochters en sluit haar op in een gaskamer, laat haar elektroshocks ondergaan.

Plots valt mij ook dit in: Voor u heren, zei hij, staat een man. Doe er u voordeel mee. Ik ben te voet uit de diepere diepten van de grootstedelijke gaskamer gekomen zonder te rusten of te stoppen… (…)

De schrijver van deze tekst is Samuel Beckett. Mercier and Camier 1970.

Kende Beckett de schrijfster Ingeborg Bachmann?

‘Oudzeer’ brengt een schrijver soms tot ongekende diepgang waar het onuitsprekelijke banaal wordt weergegeven.

Rome 27 november 2021 (Ik blijf hier tot juli 2021.) Bewerkt op 29 nov. 2021.

Wikipedia: Het tweede hoofdstuk Malina, “De derde man”, is het hoogtepunt van het verhaal. In droomscènes herinnert de verteller zich de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog , gaskamers en verkrachtingen. Een ‘vader’-figuur is alomtegenwoordig in haar dromen en ze realiseert zich dat ze niet haar eigen vader vertegenwoordigt, maar de door mannen gedomineerde wereld van het nazisme in bredere zin. ISBN: 9780811228725 , Paperback

Nieuw boek komt eraan…

STILLE

 HOOFD

BREKERS

Robert Kruzdlo

New York

Spanje

1974-2021

*

uit het ondoorgrondelijk brein

uit de raadselachtige stilte

welde plotseling een schrille kreet

‘n heldere klank die uit de mond

ongehinderd van oor naar oor wilde gaan

luister dat het woord vlees geworden is.

*

En als ik mij iets herinner, dan komt dat door de klanken, klanken van het ‘binnenbrengende nu’ naar het verleden toe, naar het heden van toen. Begerig reikhalzend naar het toekomstig verleden dat taalloos is.

Preambule 1

Op de eerste dag van de zomerschoolvakantie 1963, schuilde een jongen tegen de regen in de portiek van de BATA-schoenenwinkel. Uit de lucht viel snibbig de regen. Speldenfijn. Rillend van de kou hield hij tussen zijn voeten een gerafeld koffertje met een sticker van Badhotel Domburg erop geplakt. Zijn schoenen knelden van het staan. De stad had nog nooit zo grijs gezien. Boven en onder, grijzer dan grijs. Ik was erbij en zal hem vanaf nu niet meer uit het oog verliezen.  

De jongen wachtte op zijn moeder, die aan de overkant, achter het brede beregende vensterraam van café ’t Oude Coffijhuijs in een blauwe nevel van sigaren-en sigarettenrook zat. Tussen de regendruppels door zag hij moeder die  thee met Manzanilla dronk, haar favoriete mix wist hij. Tegenover haar zat een onbekende man die zijn armen midden op de cafétafel had uitgestrekt. Het glas verschraald bier er tussenin. Hij knikte aldoor van ja. De jongen keek, tussen het passerende verkeer door, scherp naar de handen van moeder. Ze waren wit en spraken een taaltje die hij verstond: een dovenmanstaal. Ze gebaarde in de lucht en op tafel, dan weer pakte ze met beide handen het theeglas of rolde een sigaret. Het begon harder te regenen waardoor het silhouet van moeder, niet goed te volgen was. Maar haar handen, als zwarte raven, volgde hij nauwlettend haar  antwoorden.        

De klok van de Abdijtoren sloeg dof twaalf keer. De regen dwarrelde een andere richting op, zo leek het hem. Hij veranderde van steunbeen en zuchtte inwendig zwaar. Voor de glanzende schoenen in de etalage had hij geen interesse.  

Na een uur of langer te hebben gewacht kwam moeder en de ‘jaknikker’ naar buiten. Moeder, die haar gezicht verborgen hield  onder de paraplu zei: ‘Zo hier is-ie dan.’ De man had een scheve mond en knikte, waardoor de regen van zijn vilten hoedrand liep. Een taxi stopte. Kletterend viel de regen op het dak. De jongen had zoiets nog nooit gehoord.

‘Nu, ik moet gaan,’ zei moeder. Ze had haar paraplu ingeklapt. Met een gezicht als van een doorweekte filmaffiche keek ze de jaknikker hulp vragend en vermoeid aan: de operatie moest slagen. Door het geruis van de regen leken alle geluiden, ook die van de autoruitenwissers en het gepruttel van de taximotor, monotoom. Moeders zemige onsamenhangende woordjes waren niet goed te verstaan. De regen ritselde, suisde en spatte tussen de jongen en moeder uiteen. Iets in het hoofd van de jongen kromp en knevelde hem, hij dorst niet dichter bij zijn moeder te gaan staan, hij begreep het.

De man met de scheve mond opende het portier van de taxi. Hij stapte daarbij in een diepe poel hemelwater. Het deerde hem niet, net zo goed als de manchetten die uit zijn jas staken, -boord, broekspijpen, hoed en zijn handschoenen kletsnat waren geworden. Hij nam zijn hoed af, kuste moeders hand. In zijn nek plakten zilvergrijs-gele haren. Met opgewekt gezicht zei hij: ‘U zult niet teleurgesteld worden, ik zal goed voor hem zorgen.’ Hij bleef haar aankijken. Een vlammend instinct bolbliksemde in zijn ogen. Moeder prevelde: ‘U…, ik, bedoel ik, zal hem later alles uitleggen.’ Dat had de jongen goed verstaan. Moeder keek de jongen nog een keer aan. Moe en met holle ogen. Hij wist niet beter dan de machteloosheid hem krachteloos maakte. Vuurrood werd hij. Hij schaamde zich diep.

Stinkend naar nicotine en alcohol klauterde de moeder in de taxi. Zonder hulp, die weigerde ze. Haar rok, vreemd gekreukt, plakte aan haar kuiten. In de taxi deed ze onmiddellijk haar schoenen uit, sloot de deur en opende het autoraampje en zonder een woord te zeggen biechtte ze alles op: eerst sloot ze haar ogen en daarna het autoraampje; zoals in de biechtstoel. De jongen doornat, zag hoe moeder uit haar rode tasje een spiegeltje had opgediept. Ze bewoog haar lippen toen ze in het spiegeltje keek. Hij dacht dat ze zijn naam lispelde. De man en hij keken door de het nevelachtige autoraam. Toen naar elkaar. Het klikte tussen hen, maar wat?

Met kikkerige handen zwaaide de jongen naar de wegrijdende taxi. Door opspattende plassen water verdween de taxi achter het regengordijn. Met de mouw van zijn jas veegde hij de snotsnikken van zijn bovenlip. De regenmist kleefde aan zijn oogwimpers. Toen stopte hij zijn handen diep weg in zijn jaszakken.

De jongen keek naar de doorweekte man met de scheve mond die voor hem uitliep. Van zijn hoedrand stroomde Gods hemelwater dat rondom zijn schoenen druppelde en opspatte als kleine kerktorentjes. Hij hoorde moeders stem kletteren: De eerste steen is nog nooit gevonden.

’Wie gooit de eerste steen,’ dacht hij.

Een eind verderop, stond een oude brandweerauto met een aanhangwagen op hen te wachten. Op de zijkant stond in gouden sierletters geschreven ‘Schietsalon’.

Meer dan vijftig jaar later zal ik op niet literaire manier, als biograaf en erfbewaarder, de jongen zijn lotsgeschiedenis beschrijven: Het portret van een hondse jongen.

Verbetering @Robert Kruzdlo Rome Italië 2021

TUSSENMENS AAP

Kan en moeder Alice 1958

Het blijft na een halve eeuw hommeles,

als ik terugkeer en … opnieuw het (regen)gordijn open. Eindelijk laat de zon zijn smoel zien. Opstaan lukt niet. Ik lig bezweet en verstrengeld tussen de lakens en zie ‘met gesloten ogen’ mijn klasgenoten van de lagere school, stinkend naar zoetzeemzweet gillend de betegelde gang van de school binnenstormen; in oorverdovende schelle klanken. Ze veranderen razendsnel in een hoop biggen. De school is een vuile varkensstal. Ik maak een sprong en ren dwars door de bladzijdes van het Jungle Book en plotseling loop ik slaapwandelend in de door hemelwater overstroomde dakgoot. Ik klim in de nok van de villa duw mijn hoofd in een wolk: ik nies onder het kussen en veeg mijn neus aan het laken af. Het lijf rochelt. Honger? Het ochtendlicht schijnt door mijn oogleden. Ik nies zo hard dat ik van bed opveer. In het zonlicht spat een wolk aerosol uiteen. Op het raam, in het aangekoekte vuil staat mijn naam geschreven: Kan Zlo.

Beneden het immer gekoer van stemmen, – de ochtendgeschillen laaien weer op. Er wordt met kamerdeuren geslagen. Moeder roept gesjeesd: ’Kan, ben je wakker?’ Vanuit het toilet: ‘…en nú aan tafel Kan.’ Stilte. Zal nog even duren voor moeder van het toilet komt.

Ik ben negen jaar oud en de schoolkinderen lachen om mijn naam Kan Zlo dat onheil betekent. Mijn overgrootvader Walter Joseph Zlo, zo heb ik mijn vriendjes verteld, komt uit Oekraïne, hij en zijn gezin moesten vluchten voor de Duitsers. We wonen allemaal in een Villa. Uitleg helpt niet: ‘Apenland,’ roepen de domme Lowietjes.

Elke stap is lusteloos. Vandaag wil ik niet naar school. Er waaiert koorts door mijn lijf. Op de gang loopt het koude zweet van mijn rug, ik wil terug naar bed, mijn hoofd verbergen onder het kussen. De kracht van de koorts en de hoofdpijn vernedert me, goed denken kan ik niet, vooral als de stem van moeder dreigender klinkt. Is het aan mijn gezicht te zien, nee, ik trek een normaal gezicht.

Een voor een komen ze zwijgend de keuken binnen. Tegelijk begint het bidden. Vreemd? Welnee. Hun blikken blijven naar hun handen gericht. Overgrootmoeder snijdt van het zware tarwebrood, tegen haar buik drukkend, boterhammen. De thee schudt naast de kopjes. Overgrootvader is twee maanden geleden gestorven: hij stootte zijn voorhoofd aan een openstaand raam, werd blind en uiteindelijk is hij door bloedvergiftiging overleden en heeft de Villa in een vurenhouten kist verlaten. Alleen moeder drinkt koffie. Ik luister naar het geluid van de melk die oma An klotsend in mijn glas schenkt. Grootvader heb ik nooit gekend. Niemand praat over hem. Vader zal ik pas vele jaren later ontmoeten.

Hoe zeg ik dat ik ziek ben? 

Voor ik begin te prevelen schuift piepend de tussendeur van de bijkeuken open. Ik kijk de tafel rond: iedereen is er toch? Een kromme gestalte met lompen over het hoofd verschijnt in de deuropening. Lil, de lilliputter? Een grap? Nee dat kan niet. De gestalte waggelt met slepende en grote stappen, schommelende schouders, als een Quasimodo naar de andere kant van de keuken. Met zijn smalle handen, grauw, zwart gerimpeld, vleeskleurige handpalmen, mensenvingers, donkere nagels trekt hij woest de lompen van zijn lijf. Geen van de vrouwen kijkt op – hebben ze niet de schrik van de gestalte, die met korte, hoekige benen vlak naast me komt staan? Iets begint me te dagen, ergens gelezen dat …?!  (Het verhaal staat in een iets andere vorm in het boek Tussenmens? Het boek dat ik later zou schrijven, maar op dit moment geen weet heb dat ik dat ooit zou gaan doen.)

De armen, zijn voor een kind te lang. Nu komt het, met een stroachtige adem dichterbij en wil op mijn schoot klimmen. Zijn eeltige handknokkels heeft hij vlak voor mijn gezicht opgeheven. Het flitst door mijn hoofd dat ik iets moet zeggen, maar wat: het dier lijkt op een mens, zijn mond is breed en er groeien haren op zijn lippen; van kruin tot voet behaard, een harige lilliputter. Misselijkmakende uitpuilende bloederige kont,, kan ík alleen maar ‘O, OOO, O’ zeggen.

Radeloos staar ik naar de kruinen van de vrouwen. Moet ik het beest dat in zijn handen begint te klappen de hand schudden? Wat? In nog geen seconde is de wereld ingewikkelder geworden. Dat blijft zo. Ik plas in mijn pyjama van angst. Schreeuwen dan? maar uit mijn keel komt een hoog biggeluidje. Met mijn handen voor mijn gezicht kijk ik door een spleet van mijn vingers. Ik zie mezelf verschijnen op zijn natte oogbollen: hij heeft dezelfde kleur ogen als ik. Wil hij me ontvoeren?

Het oermens begint op de keukentafel met zijn lange vinger in mijn favoriete pot jam te steken en roept, O O O – OE OE – HOE. Op zijn knokkels springt hij op en neer. Alles op de ontbijttafel dreigt op de grond terecht te komen en als het beest met zijn rode kont nog wilder op en neer wipt, schudden de vrouwen van het lachen. Diep uit z’n keel komt feller een O – OE – HOE. Ik houd mijn adem in. Als ik naar zuurstof snak herinner ik me ineens een biologie les: Wie was de eerste mens, juist die …, die komt op me af! Vlak voor mijn ogen rolt hij zijn lippen op. Uit het roze tandvlees steken scherpe hoektanden. Hij stinkt uit zijn mond. De vrouwen drukken het servet tegen de ogen. Hun schouder schuddende lijven vernederen me.

Zonder dat ik het wil, maak ik biologisch een natuurlijke O – Oe – HOE – klanken. Het gedrocht op vier benen strekt als roeispanen zijn armen naar me uit: zie je wel, hij wil me ontvoeren. Misschien helpt het als ik dezelfde natuurklanken maak? Krachteloos val ik van mijn stoel op zijn vodden. Als hij de tranen van mijn wangen likt, wikkel ik mijn hoofd in zijn vodden. Dan wordt het stil.

‘Je stamt van de aap,’ gilt moeder. ‘O – O – O, dit is nu een mensaap,’ proest moeder met een messcherpe lach. Overgrootmoeder schudt haar hoofd naar voren en achter. Ze krijgt pijn in haar nek. De vrouwen slaan met hun handen op tafel en op hun dijen. Overgrootmoeder doet niet meer mee.

Met vlakke hand trommelt de mensaap op mijn hoofd en werpt hij zijn vodden van me af. In de grip van zijn stevige armen krijs ik, OOEO – OOEO – OHO – OHO – OO – OO zo hard ik kan. Uit woede, zwetend met de vodden op mijn hoofd maak ik sprongetjes:

OE OE – HOE HOE

HOE – O – O

HOE OE – O

O – OE

OEHOE

( O )

Het is een van mijn gedichtjes die me op dit verhaal bracht. Pas nu realiseer ik mij dat het onmogelijk allemaal verzonnen kan zijn, ik had toch eerder dit verhaal verteld, op een iets andere manier, in het boek Tussenmens.

Herschreven in Rome 23 november 2021

@Robert Kruzdlo

Dag droom ’s nachts

Dendrietenbos waaruit de geest is ontsnapt.

Dag droom ’s nachts

Vanochtend werd ik ruw uit mijn slaap wakker. Het sneeuwde. Een stem in mij: je hebt gedroomd, gedroomd over je geliefde die straffend keek of je wél sliep. Ik had geen zin om over de droom na te denken. Toen ik de slaap probeerde te hervatten hielden twee bosuilen mij uit de slaap. Hun ritmische geroep kwam dichterbij. Toen ik toch…, wakker werd van de duiven die voor mijn slaapkamerraam rondjes draaiden, had ik nauwelijks een paar minuten geslapen. De slaap keerde niet meer terug. De duiven bleven rondjes cirkelen.

Boven op het dak van de overbuurman Arie Punter staat een duiventil. Een gammel verblijf dat elk moment als een kaartenhuis in elkaar kan zakken. Toch, klimt de duivenmelker elk jaar zonder vrees het dak op om een laag nieuwe witte waterverf aan te brengen. Ook de dakpannen en de buitenmuren van zijn huisje schildert hij met een nieuwe laag waterverf. Om er nog iets van te maken, denk ik, heeft hij een plastic palmboom aan de duiventil gespijkerd. Na een regenbui spoelt de verf terug de dakgoot in. Dat belet hem niet nog eens het dak op te klimmen. Nu heeft hij een echte bananenboom op zijn dak.

Vanuit mijn bed bevind ik mij in cirkelende schaduwen van de vogels op het behang, in een draaikolk woon ik. (Hij die hoger dan de blauwe lucht woont en troont, maar ook op deze lage aarde wil wonen en werken, mocht mij in Zijn vogelkooi willen vangen?) Kutbeesten, zeg ik hees. Ik ruik de nacht, het nachtzweet zit op mijn huid en in het laken. Ik spring uit bed en sluit het raam; trek hard aan het gordijn, waardoor de rails losraakt. Een vloek. Dan is het weer stil. De verwarmingsbuizen beginnen te tikken. Ga weer op bed liggen en doe mijn ogen dicht en probeer weg te dommelen. Dan gaat de deurbel. In mijn hoofd?

Ik doe niet open, zegt een slaperige rauwe stem vanonder de kussen die ik niet herken: mogelijk wel? Ik sta op, loop vloekend de trap af en trek de voordeur met een ruk open en steek mijn hoofd om de hoek. Een stem uit de buitenwereld: God zij met u… Een vrouw. Ze heeft zich goed ingepakt, zie alleen haar glimlach. Ze doet haar bontmuts een stukje hoger. Haar ogen kijken mij aan alsof ik ‘ja’ moet zeggen. Ik zeg ‘nee.’

In de bontschaduw is haar oog mimiek geveinsd. Ze heeft zich niet alleen dik ingepakt, er ligt ook een dik pak sneeuw op haar hoofd en schouders. Ik zie alleen haar mond, neus en ogen, dat is genoeg. Er zit te veel licht in haar ogen. De ogen zijn gletsjerblauw, vulkanisch blauw, blauwe lava, en ik zeg, wat voor een kleur ogen heeft u? Wilt u met God spreken? zeg ik tegen de vrouw, die een stapje dichterbij komt. Dat hoeft niet, ik heb God in mijn hart, zegt ze. Haar lippen tuiten: Ik wil u de beste wensen brengen.

Voordat de vrouw de folder met grote vette letters DE VUURTOREN gedrukt openslaat, heb ik de voordeur elegant, maar toch met een klap dichtgedaan. Voordat ze begint met vragen, roep ik van achter de gesloten voordeur, dat God geen tijd heeft vandaag. Kutjohoho-ers! Op de mat valt de folder, die ik weer terug, naar buiten duw. De krakende sneeuw verraadt haar aftocht.

Ik kruip terug in bed. Na het filmpje De flamoes van Eva gekeken te hebben, heb ik zin in een Italiaans koffiepotje Bialetti mokka exprés, zonder suiker en met opgeklopte volle melk. De Bialetti begint te pruttelen. Naakt sta ik in de keuken en ruik de koffie. Ik besluit het keukenraam open te zetten om de naar de lucht te kijken. Ik zie een vlieger met een lange kleurige staart. Niets laat me denken over de vliegenier. Een geluid dat op het gekraak van de trap lijkt.

Het verontrust mij. Het is een bedwarme bednimf die voorbijflitst. Te laat, roept ze vanaf het toilet. Voor dat het pejoratieve woord eruit is, begin ik hard te zingen. Het fluffen sla ik vandaag over. De stortbak loopt leeg… (Eerst wordt de afvoerpijp van de stortbak geopend door aan de ketting met een keramische hand te trekken. De stortbak loopt leeg en met kracht wordt de pot schoongespoeld. Wanneer de stortbak leeg is, wordt de afvoerpijp automatisch weer gesloten en gaat er een kraan open waardoor de stortbak, met veel geluid, weer volstroomt. Is de bak vol met water, dan gaat de kraan weer, met een harde tik, automatisch dicht. Wanneer het water in de stortbak hetzelfde niveau heeft vóór de spoeling, kun je weer een normaal gesprek beginnen.)

Koffie is klaar, roep ik. Op de keukentafel liggen haar handen die ruiken naar sinaasappelzeep. Slaapdronken, dat speelt ze: weet je lieverd, toen ik je vanochtend aankeek, dacht ik dat je wakker was. Je had je ogen open. Vreemd! Ik heb je nog nooit iemand zien slapen met de ogen open. Je snurkte en brabbelde woordjes die ik niet kon verstaan. Ik heb je zachtjes in je zij geprikt, je werd stil en deed je je ogen dicht. Wat zag je? Ik zie zonder ogen van alles. Misschien meer dan met mijn ogen open. Zo God wil?

Maakt niet uit of je met je ogen open of dicht slaapt. Je ziet met of zonder open ogen net zoveel. Overdag dromen we ook met open ogen. Misschien slapen we wel overdag en zijn we ’s nachts wakker?

Buiten schijnt de zon. Een frisse warme wind dwarrelt naar binnen. De overbuurman maait het gras rond zijn zwembad. Het zwembadwater is blauwer dan Santonine-blauw. Het doet pijn aan m’n ogen.

Ik verlaat maar eens het bed.

Verbeteringen aangebracht 21 november 2021

@Robert Kruzdlo Rome Italië 2021

Heimweeën

Heimweeën

1955 Een laatste zuchtje wind laat een zinderende leegte achter. Ze zal voorlopig niet meer terugkeren. De hemel, is ablaut blauw en stil als steen, verbleekt onaangeroerd, zet het de tijd stil. De elektriciteitspalen hebben korte schaduwen. Uitgestrekt lagen de goudgele korenakkers tot aan de horizon. De in knop donkeroker halmen helder verschoten, fier, strakgespannen en onbuigzaam, lispelen verstompt. De kikkers kwaken niet. In een opgedroogde poel, ligt een dooie mus. Haar veertjes bewegen door duizenden mieren geschud: het leven gaat door. Met de ogen open ben je niets. Je huilt. Terug in je kamer schijnt de zon nagelhard naar binnen, tussen vier muren woont het verleden. Boos, ontroostbaar drentel je op en neer. Uit de kieren tussen de planken dwarrelt stof. Het originele behang: de plek waar de foto van je vader heeft gehangen, is zes jaar oud. Je draagt twee stenen in je broekzakken. Durée, om tijd te winnen, staar je somber in de opgedroogde poel. Alleen in je hoofd kun je wonen. Je lichaam is een slakkenhuis dat moet verhuizen. De geest was al die tijd een bedrieger, net zo schijnheilig als je opvoeders. Nu moet je nog een ding doen. Je bent niet bij machte te denken wat je hoofd wil. Dit huis, je laatste huid, ga je verliezen. Zo voelt een ander het niet. Waarom zou hij ook? Hier sta je gevoed door heimwee en vertrek. Met een voet in het niets de ander nog verankerd. Een zetje is nodig, om voor de laatste keer de trap af te dalen, om een lange reis te maken naar het ongewisse. Er is nog tijd in de breedte, breed als de horizon.

De twee stenen uit je broekzakken heb je verstopt achter de regenpijp. Later, ja later, wat is dat, zul je ze ophalen. De hemel is onwillig voor elke verandering. De zon schijnt alleen hier. Daar, is de dood.

Het talud gevuld met huisafval stinkt. Met een stok peur je in een stuk opengereten portemonnee, waarin een pasfoto zit verscholen. Een oude courant met een foto van een vopo, die met een Kalasjnikov geweer over rollenprikkeldraad sprong. Een fiets ligt naakt te roesten, uit het zadel steken spiralen. Een kinderpop kijkt je aan. De ogen, twee verroeste draadjes waar een meisje haar liefde kwijt. Regen, grijs van boven en onder, zal nooit meer komen. Een voorspelling zit er niet in, zegt moeder, mijn eksterogen doen pijn. Je vertrekt vandaag, over enkele minuten heeft ze gezegd.

Hij, de taxichauffeur heeft de grote koffers een voor een op het dak van de auto vastgebonden. Moeder zit voorin en kijkt in haar handspiegeltje. Ze is de schuldige en zonder pek en veren overleeft ze elke aanklacht. Je vertrekt vandaag, over enkele minuten hebben ze gezegd.

Het asfalt plakt aan je schoenzolen. Iedereen leeft ongeveer zus of zo in zijn eigen woestijn. Een kinderstem smoort ergens. Een pets is genoeg.

Ik was een jaar of zes, toen ik twee silexstenen verstopte achter de regenpijp: als ik er nog eens terug zou keren. Wie bedenkt zoiets? Je bent zo lelijk, lach eens, zegt moeder door het opengedraaide autoraampje. Kleine korte stootjes in de borst, ingehouden kreetjes, wegslikkende tranen.

In de holte van je mond ligt de grootste ellende: de taal. Niemand die dit afschuwelijk gevoel van heimwee zal herkennen als je je niet houdt aan de regels van de taal. Bewustzijn is ook niet alles.

Onbewust leun je tegen de muur waarop met krijt je naam staat geschreven: Hier woonde Heinrich Ilke. Onder een berkenboom, je lievelingsboom, druk je een vinger in een kruisspinnenweb. Er wolkt verdriet als een bundel bosmuggen om je heen. Gevangen komt de buitenwereld steeds dichter op je huid. Op het hakblok, hoeveel kippen en konijnen zijn hier niet gesneuveld, ligt de hakbijl. Hakken, het heeft moeder altijd in het bloed gezeten. Bloed, bloedworst, balkenbrij en preskop. Kop uitkoken, vlees door de vleesmolen, afkoelen en in een terrine, samengedrukt. Anders kun je je niet voelen. Je moet deze gedachten onderdrukken.

De bomen half ontbladerd alsof de herfst is begonnen. De bladeren knisperden in je handen. Niets wil meer groeien, alles staat stil en sterft voor de regen komt. Je zit gevangen in de geschiedenis. De chauffeur met de glimmende pet heeft op de claxon gedrukt. Eerst kort nu langer. Over enkele minuten moeten we vertrekken.

Je loopt naar het de einder van de weg, vanzelf alles oplost. Die richting op daar is nog hoop. Wat niet zal gebeuren.

Vergeet de zon beschenen lege kamers niet; alsof het licht sneeuwde en op de vloer de oude ansichtkaarten uit Amerika. De kamers roken naar afgeleefd stof dat voorgoed zal blijven liggen. Alle dode vliegen op de vensterbanken heb je geteld. 113. De heldere plekken op het zeil niet vergeten! De uitdrukking van droefenis zijn de blinde kamers. Door dit alles was het toch wel duidelijk dat de dag, die nu echt onomkeerbaar bleek, toch met horten en stoten, definitief was aangebroken. Het huis ademde niet meer. De ramen kraakten in hun houten sponningen toen moeder die voorgoed vergrendelde.

De droge aarde ruikt naar zwavel. De brandende zon op het dak van de Peugeot deed de rest.

Op je knieën, op de achterbank, zie je hoe het huis in een stip aan de horizon verdwijnt.

(Het lijkt niet alleen of ik alles verzonnen heb. Ik lieg als ik zou beweren dat het allemaal zo gebeurd moet zijn en omdat niet ik dit opgeschreven heb, maar mijn brein, heb ik mijzelf beloofd om twintig jaar later te gaan kijken of die stenen er nog lagen.)

Verbeterd op 21 november 2021.

@Robert Kruzdlo Rome 2021 november.

De Tussenmens.

Zwartgatschilder.
Foto Robert Kruzdlo Maastricht 1995

Aan het woord een academicus; een zwartgatkijker.

Kan de student zich niet beter rustiger, kritischer en aandachtiger lezend in zijn leerstof verdiepen dan de luisterende student die, zelfs als hij uitgeslapen is, en zeer gemotiveerd, na een kwartier van luisteren – naar de denkbeeldige academicus – de draad van het verhaal al ‘wel’ weer kwijt zal raken. Drie kwartier ongestoord het woord nemen? Wat is daar het effect van? Je wordt een ‘zwartgatkijker’.

Hij nam een slok whisky.

En weet je de mens, laat mij niet lachen de mens, weet je, ken je Johannes 20, 19… eerst een slok, die zegt:

Gij kent het leven niet en wilt dan iets van de dood,

dat is wat ik bedoel, we weten niet, kennen niet alle feiten en als we niet alle feiten kennen weten we niets, en, moet ik dan die jonge mensen uitleggen wat liefde is?

Met zijn vinger omhoog probeert hij de ober te lokken. Die kijkt niet. Een straal zon valt door een klein raampje. Je kunt de stralen tellen.

De mens zal het niet lang maken, geloof mij, door de uitputting van de natuur zal hij het niet lang maken, over en uit, weg zijn loopbaan, boeten zal de rest die overblijft, en, en wat ik je zeg, ze kunnen ook meteen de bibliotheken sluiten, die boeken zijn niets meer waard, dat zeg ik je…

Een whisky en vino tinto

dat zeg ik je, want de mens heeft de wereld naar de kloten geholpen en het is totaal ondenkbaar dat het tegenovergestelde gebeurt, ha, ha, beter kan het met de mens niet aflopen, hij kan opnieuw beginnen en weet je, dit zal gebeuren omdat de mens zich niet wil temperen, temperen in alles, minder kinderen, minder van dit en zus en zo, zus en zo, let op mij dat wordt het. Hét. 

Het ijs in zijn glas maakt toktoktok.

Alleen de lust en niet de liefde heeft gewonnen, alleen de lusten bestaan, biologisch en neurobiologisch, de lusten…, de lusten die zijn het zus en zo, zus of zo, maar van de liefde, o goddedegod, van de liefde kun je niets anders beweren dan het zich lustig heeft voortgeplant.

(Monoloog van een hoogleraar in de neurobiologie-filosofie “De positie van de TUSSENMENS” op een terras te Jerez de la Frontera.)

De Parakleet.

De parakleet Robert Kruzdlo 1955

Moeder zit verlaten en gebogen voor de brandende kachel. In haar ene hand een koperen pook en in de andere een peuk. Haar armen rusten op haar knieën. Witte handen die in het licht van de het vuur flakkeren. Handen die veel doorstaan hebben. Lege handen, nu. Achter haar rijen wasgoed, hemden, onderbroeken, handdoeken, damesverband en washandjes. Onafgebroken rookt ze met de hand gerolde sigaretten die bij het inhaleren fel oplichten; na een paar seconden verlaat de sigarettenrook tegelijk neus en mond. Vanuit de bijkeuken, de enige verwarmde ruimte van de villa, is de besneeuwde tuin, het hellingbos en het verlaten landschap te zien. Rein als een verbleekte foto. Het condenswater ligt bevroren op de vensterbank. Om haar schouders heeft ze een deken geslagen. Ze heeft het altijd koud, blijft ze zeggen.

Soms, in een flits, komt uit moeders oren rook. 

Liefde moet ergens zijn, maar waar: in het mortuarium? Moeder wil niet weten hoeveel ik van haar houd. Het is koud, zegt ze steeds. Ze zal in razernij geraken als ik tóch tegen haar zou zeggen: moeder ik houd van u. Nu weet ik het niet meer. Wat betekent liefde? Liefde eindigt in pijn en verdriet. Ze kamt haar haar niet meer. Uit haar sloffen steken haar tenen.

Sta je daar nu weer.

Moeder zit in een zelfkastijdenkooi die onzichtbare tralies heeft. Alles wordt om haar heen gesmoord en verteerd door de stilte. Alleen het roezemoes van de brandende eierkolen is te horen: vuur haar enige troost. Het lijkt allemaal zo gewoon. Er is niets te redden dan wat nu is. Het nu. Stilte. Weinig woorden die geen vlees worden. Durf haar niet meer aan te spreken over mijn heimwee?

Wat sta je daar nu?

In deze vochtige bijkeuken beoordelen wij elkaar onophoudelijk verkeerd. Het bewustzijn heeft zich verstopt. Metafysisch hebben de woorden geen enkele nut. Haar schaduw, de schaduw van de was, gaat boven de metafysica uit. Daarom kijkt moeder naar de vlammenzee. Ze ziet haar onsterfelijkheid. 

Mentaal heeft zij zich afgekeerd van de wereld. De wereld om haar heen stelt niets voor. Ze is klaar. Vandaag is de laatste dag. Vandaag vertrek ik met overgrootmoeder en oma An naar Zeeland. Domburg, aan de voet van een hoge duin. De Hoge Hill. Er is ook een bos, tuin, en een lagere school.

Sta daar niet zo, wil je.

Robert Kruzdlo 2021 Novelle De Parakleet. (Begin.)