Amersfoort taal en werkelijkheid

Links Robert Kruzdlo

Op Neerlandistiek stond 10 mei dit artikel van Marc van Oostendorp.

Mijn reactie: ‘Taal beschrijft niet het ‘dwingt’ de lezer in taalregels te denken.’

Zo is de zin; `Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.,’ onzin, …omdat wat niet gezegd kan worden al in de zin verankerd ligt. Taal, is een gevangenis van regels die de werkelijke werkelijkheid niet kan beschrijven door haar regels. (Ik heb een paar woordjes aangepast.)

Taal geeft de mensen een machtsgevoel over een ander. Het boek van Jeffrey Wijnberg is daarvan een voorbeeld. Lees en huiver.

Ik kijk dwars op de gangbare meningen, dit ligt in mijn genen. Mondriaan was mijn grote voorbeeld.

Dwars door een boom kijken Mondriaan 1912

Robert Kruzdlo Amersfoort 13 mei 2022

.

μήνυμα κόλπου

Ze zat in het laatste jaar van de middelbare school. Een nogal bonkige tiener die danste op de muziek van Tom Jones Sex Bomb. Ze was van een andere chemie, haar lichaamssappen werkte fysisch anders dan bij haar klasgenoten. Ze had dijen als een merrie. Hengstig. Ik had de Multatuliaanse ‘gele jalousie’ en begreep algauw dat het kwam dat zij zich te veel door de teugels van haar driften liet leiden. Ik kreeg er groene ogen van.

We hadden sex op de bank in moeders flat. Zo’n flat, een doos, rijen dozenflats, onooglijk nu, maar toen waren de straten nog niet vol met auto’s. De bomen waren dun en de zomers zwoel van het jonge gras.

Daar op die bank trok ik te laat mijn ding terug. Paniek. Vooral zo vlak voor het eindexamen. De pil? Condoom? Spieraaltje? We waren nog jong en seksuele voorlichting, ho maar. De seksuele revolutie was net begonnen: voor haar nog meer vreugde. Dolle mina, och dat kon er ook nog bij en…, ik ben géén bezit van jou kwam als een woke: anti psychiatrie. Een warrige tijd. Sex bleef hetzelfde.

Uren heeft ze in paniek haar vulva vol zeepschuim gestopt. 

Ik was verslagen door schaamte en wanhoop die mij paranoia maakte, maar dat was ook weer in. Ik sliep op de Dam, in het Vondelpark en iedereen dacht dat ik stoned was. Mijn ogen zagen zwart van ‘puberpaniek’. Er was niemand om mij heen die ik het verhaal van de bank, Osdorp, zeepschuim en dat ze misschien in verwachting was vertellen kon.

Eindexamen schoolfeest. Op Sex Bomb werd wild gedanst. Zij danste als een circuspaard op spitzen de twist. Een raar gezicht was het en niemand begreep het. Bezweet zoende ze in het fietsenhok met een klasgenoot. Ze had zich het gompes geschud, en haar moeder had haar die nacht alles vergeven: vloten de vogels.

Ze werd misselijk en ging naar het toilet. Daar viel iets in de pot. Ze keek er naar. Ze trok de wc door en vergat alles. Ze ging psychologie studeren. Deed het met die en die. Slaagde, zonder moeite. Alles ging zonder moeite. Had het geluk met de erven en biologisch veranderde er niet veel bij haar. Ze had haar hele leven geluk.

‘Weet je,’ zei ze de volgende dag toen ze gebiologeerd in de pispot had zitten kijken, ‘het waren net lucifersstokjes.’

Meer dan 55 jaar geleden en nog steeds komen de herinneringen zonder dat ik erom vraag terug.

De zelfdenkende neuronen die houd je niet tegen.

.

Girona 5 mei 2022 Robert Kruzdlo 

Eisso S schiettent

Woensdagmiddagkermis

Het was druk, schooljeugd zonder ouders die tussen de kermisattracties in groepjes ophielden. Zonder iets uit te geven slenterde zij druk gebarend tussen de lawaaierige attracties door. Druk kletsende meisjes, gillend en schreeuwend, soms trekkend en sjorrend op een kluitje voor de schiettent. Alleen kinderen van rijke ouders konden het zich permitteren om uren in de botsauto’s rond te rijden. De anderen keken jaloers en lacherig toe hoe de vetkuiven zich vermaakten in de botsauto’s. De meisjes smoezend en schuins naar de jongens kijkend, de jongens, dwaas en verlegen terugkijkend en soms bruut commentaar gevend op het uiterlijk van de meisjes. De meisjes fluisterden en kozen de stomste, de domste jongen uit, het werd hun slachtoffer, wat gekunstelde lachjes opriep. Ingewikkeld gedoe, vond ik. 

Plotseling maakte een meisje zich los van de groep. Ze kwam met trage stappen op mij en de schiettent toelopen en zonder iets te zeggen legde ze een gulden neer.

“Dan mag je vier keer vijf schoten doen,” zei ik volleerd. 

Het was hetzelfde meisje dat gisteren een tijd voor de schiettent had rondgehangen.

“Hoe heet je,” vroeg ik rap, zonder haar aan te kijken.

“Wolk, Roos Wolk,” zei ze zacht en drukte de luchtbuks tegen haar schouder. Nogal onhandig. Ik hielp haar.

“En jij,” zei ze zacht.

Een verschrikkelijke opwinding joeg als een ellendige bloedstroom door me heen. Mijn wangen gloeiden en in een flits, minder dan een seconde welde het een gevoel van verliefdheid in mij op.

Ik noemde mijn naam en dorst haar niet in de ogen te kijken. Ze hield de luchtbuks aan haar schouder zonder te schieten. Haar nagels waren bloedrood gelakt. Ik keek naar haar oorschelp en naar het plukje haar dat over haar slaap en oor viel. Meer niet. Een seconde lang, misschien korter. Het wond mij nog meer op. Het bloed klotste in mijn keel, alsof ik het kon uitkotsen, en ik bleef slikken, maar dat hielp niet. Waarom weet ik niet. Zo’n detail, vreemd. Haar lange wimpers trilden in de zwoele lucht, haar wangen licht gepoederd. Haar gezicht kon toveren, en toen ik probeerde om haar te helpen, – er waren weer enkele secondes verstreken, gaf iemand een harde klap op de toonbank: “Sukkel, we willen schieten.”

Het was de jongen met lang zwart haar, scherpe neus en een dun snorretje, pukkels en vlammende groene ogen, de jongen die ik eerder bij de bakker had gezien, ook hetzelfde groepje. Ik laadde het geweer en ging een eindje van hen af staan. Het meisje keek toe hoe hij bij het eerste schot een foto schoot. De andere jongens joelden en zeiden dat Neus, ja zo heette hij, de beste schutter was van de stad was.

“Wedden, “ wierp een van hen mij vijandig toe.

“Kom maar op, “ zei Neus vurig. Zijn handen grepen naar een ander geladen luchtdrukgeweer. (Nu lijkt hij een wedstrijd met de ik-figuur te willen aangaan, maar dat wordt in de volgende regels overklast.) Een van de jongens griste het houten bakje met kogeltjes weg. Ik trok hard aan zijn trui terug, zo hard dat ik een pluk wol in mijn hand had. Een jongen wilde mij met zijn vuisten op mijn handen wegslaan en voor ik wist wat er gebeurde hadden ze allen luchtbuksen op mij gericht. Ik voelde me alsof ik voor een vuurpeloton stond.

“Hier, net als in de oorlog, we schieten op je domme kop, die zigeuner, jood,” riep een dikke knaap met varkensogen schel. 

“Zigeuner, we zullen je een lesje leren, blijf van onze meisjes af,” zei Neus ranzig, en uit zijn mond floot een spuugklodder op mijn gezicht. Woedend zei ik dat ik geen zigeuner en Jood was. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik had mijn mond moeten houden. Er kwam een valse glimlach op mijn lippen. De woorden Jood en zigeuner klopte harder in mijn hoofd dan mijn hart. Ze spande de luchtdruk geweren en richten die op mijn hoofd. De klodder spuug liep in mijn mondhoek. Ik dorst die niet weg te vegen, had ik dat wel gedaan dan hadden zij dat als uitdaging gezien: langzaam met een grijns met mijn mouw afvegen, zo dacht ik in een flits. Niet doen, tegelijk.

“Stomme gans, mot je nie naar school, zigeuners, Joden hebben geen verstand hé. Pang, pang, pang gaan we doen.” 

De dikke gaf met de kolf van de luchtbuks mij een harde klap tegen mijn buik. De luchtbuks viel kletterend op de grond. Toen ik hem van de grond wilde oppakken om mij te verdedigen, grepen de andere jongens mij stevig beet. Nu, ik kon geen kant meer op. Na een paar seconden trokken tientallen handen mij kop en kont over de toonbank. Ik verweerde me zo goed als maar kon, maar mijn hele lichaam begon pijn te doen. Ik hield mij slap om de stompen op te vangen. Ik trilde, mijn lichaam was volstrekt een vreemde geworden, een lijf die ik weggegeven had om te martelen. Er moest nu een wonder gebeuren, anders zou ik door de jongens vermorzeld worden en mijn lichaam niet meer terug krijgen. Ik zag bijna niets meer en toen ik in mijn broek begon te plassen van angst, zag ik dat het mooie meisje met het lokje haar over haar oren, de luchtbuks op het groepje jongens richtte. Ineens schoot Roos, die voor me was gaan staan, Neus precies op zijn voorhoofd. Het werd stil. Niemand deed meer iets. Roos huilde en liet de luchtbuks op de grond vallen. De jongens weifelde, terwijl Roos met haar zakdoek het bloed van mijn gezicht veegde. Flinke schaafwonden en een blauw oog, een ander lichaam waar mijn geest langzaam in terugkwam. 

Toen ik weer wat begon te zien, mijn ogen branden van de tranen alsof ik uien had staan schillen, stond een eindje verderop een politieagent bij het groepje jongens, die druk gebaarden en riepen dat ik begonnen was. Precies in het midden van Neus zijn voorhoofd liep een straaltje bloed over zijn kokkel. Hij grijnsde met een rij rotte tanden. Roos stapte huilend naar de agent en vertelde wat er gebeurd was. (Blijkbaar gelooft de agent haar meteen.) Toen de jongens zich van het kermisterrein moesten verwijderen riep een van hen naar Roos: “Trut, hoer dat je bent.”

Roos hielp met opruimen en toen ik met trillende stem zei dat ik me ging wassen en een ander hemd ging halen, paste Roos op de schiettent. Het geweld leek op een film die in m’n hoofd eindeloos werd herhaald. In een film speelde ik. Mijn hoofd maakte er een film van, een herinnering met beelden die ik niet echt zag, maar wel naar keek en de waarheid zo divers was dat ik gek werd. Ik rook het bloed en voelde een stekende pijn achter mijn oog. Mijn buik deed pijn en de urine in mijn broek stonk. 

Mijn kuiten trilden en ik voelde dat zich een enorme leegheid in mijn hoofd opende.

“Hier, draag deze zonnebril, “ had Roos gezegd en haalde uit haar rugzakje een zonnebril tevoorschijn die ze bij een andere attractie gewonnen had. Ik zette de bril op mijn gehavende neus en maakte een nerveus grapje. Ik verstond haar reactie niet. Roos aaide met haar slanke hand over mijn krullend haar en gaf spontaan een kus op mijn wang. Mijn hoofd leek groter dan de wereld, alles werd kleiner, kleiner dan het heelal zo groot. 

“Je haar knettert,” zei ze lachend, “lijkt elektrisch, ik weet niet hoe dat kan, komt het misschien door je boosheid?” 

Ik zag het. Ik hoorde het aan haar stem, die veranderd was, was ze echt op mij verliefd? Ik schrok bij de gedachte dat ze misschien verliefd op me was. Ik kon geen woord uitbrengen. Dronken van pijn en emoties keek ik in Roos ogen om te proberen, zonder woorden, iets duidelijk te maken, maar ik kon geen ‘blikwoord’ uitbrengen. Roos dacht misschien dat ik een afspraak wilde maken, misschien naar de film gaan of hand in hand wandelen. 

Nu wist zij niet dat ik eigenlijk helemaal niet de bioscoop in mocht, omdat ik te jong was, omdat de vrouw van de kassa niet van een kermiskind hield, alleen mocht ik als het licht van de filmzaal uit was snel naar binnen. Ik kon niets zeggen, mijn lichaam stond aan de grond, op drijfzand genageld, dat is het enige wat ik kon, vastgenageld staan op drijfzand. De aarde onder mijn voeten zonk weg. Roos wachtte tot ik zou zeggen dat we samen iets gingen afspreken. Roos zei: “Nu tot…” verder kwam ze niet. Ze wachtte af…, en op haar gezicht kwam een rode blos. Haar ogen werden groot en ze knipperde met haar ogen. Ze keek naar rechts, links, rechts en dan naar de grond.

Roos moeder, die haar ruw aan haar arm van de counter weg had getrokken kreeg een tik tegen haar oor en een duw in de rug, zodat ze bijna viel.

“Naar huis jij.”

Roos draaide zich naar mij om. Die blik op haar meisjesgezicht, die verschrikkelijke alles zeggende smartelijke blik: de mondhoeken naar beneden, zoals Maria opziet naar haar Zoon aan het kruis, haar rode oortjes door de petsen die ze had gekregen, en nog een keer met gebroken stem:

“Dag nu…ik…” verder kwam ze niet.

Zo heb ik het gezien van deze kant Robert Kruzdlo 1962

Robert Kruzdlo Girona Spanje 3 mei 2022

De man is de vrouw in zichzelf de baas geworden. 

After living together for twenty-seven years, Joyce and Nora got married at on 4 July 1931.

“Je had die nacht een kont vol scheten, schat, en ik neukte ze uit je, dikke kerels, lange winderige kerels, snelle kleine vrolijke scheuren en heel veel kleine ondeugende scheetjes eindigde in een lange stroom van je gat. Het is geweldig om een scheten vrouw te neuken wanneer elke neukpartij haar uitdrijft. Ik denk dat ik Nora scheet overal zou kennen. Ik denk dat ik haar kon uitkiezen in een kamer vol schetenlatende vrouwen. Het is nogal een meisjesachtig geluid, niet zoals de natte winderige scheet waarvan ik denk dat dikke vrouwen hebben. Het is plotseling de droog en vies, zoals een brutaal meisje zich ’s nachts in een slaapzaal op school zou uitleven. Ik hoop dat Nora haar scheten in mijn gezicht niet zal laten. Zodat ik ook haar geur zal kennen.’

Joyce op zijn best? Joyce die alles kon doen met taal. Onbegrensd. De drift in taal vergoddelijkt alles, niet de afgesproken taalregels. Als de vrije wil niet bestond was er geen goed en kwaad. 

Taal tuinieren, schoffelen en spitten. Wat de een onkruid vindt is voor een ander schoonheid. Taalgeleerdheid is een vak die Joyce begreep: op de schop ermee! Er wordt altijd te veel of te weinig gezegd en je bloot geven in taal is van een intellectuele naïviteit. Onschuldig op ‘taaldrift’ reageren is niet naïef, het mooiste wat er is.

‘Leven is dat wat met geweld zijn weg baant,’ Lucilius.

Barcelona Robert Kruzdlo 30 april 2022

Ernst Jünger

Ernst Jünger, (born March 29, 1895, Heidelberg, Ger.—died Feb. 16, 1998, Wilflingen), German novelist and essayist, an ardent militarist who was one of the most complex and contradictory figures in 20th-century German literature.

Zien is bij Jünger nooit iets louter passiefs – het is eerder een vorm van ‘aanval’. Het is hem voldoende om overal waar van Gestalt sprake is ‘een lege plaats, een venster open te laten, dat door de taal slechts kan worden omraamd en dat door de lezer met een andere bezigheid dan het lezen moet worden ingevuld’.

Zien is wat vanuit de geest “voor-ogen” komt. Zien is wat de werkelijkheid op je ogen drukt. De mens kan nooit zien waar precies het zien – fysisch, neuraal, biologisch – vandaan komt. Het brein is ontoegankelijk, de werkelijkheid is ondoorgrondelijk. Zien is volgens Ernst Jünger boven iedereen en alles staan. Ethisch, esthetisch en misschien zelfs boven de kunsten staan.

Zien is niet dwars door mens en dingen kijken, maar … och kijk en luister.

.

Barcelona april 27 2022 Robert Kruzdlo

Poëtica prop van KIRAC monoloog.

Bestel een nieuw hoofd bij KIRAC

¿Wij zijn solidair met de slachtoffers van de kunsten, wij HEERLIJK HELDER KIRAC zalven de culturele zonden want je vecht altijd tegen je (de) cultuur en… je wordt daardoor door de cultuur beloond, cultuur is een onbevredigd genieten, grappig de dood te zien in onze cultuur…, leven met tegenstrijdige gevoelens, bottom up, top down, zwart wit, dat portret laten zien, de innerlijke tegenstellingen, niet één kant als het cynisme laten zien van jezelf maar ook het hondse: zoals je ouders ook waren, en, hun voorouders, de biologie van de mens, balanceren op een koord van de homeostase, balans…, de kunst moet hier naar kijken, (sic, zegt de woordvoerster van KIRAC) hier een portret van maken, ontmaskeren, ledigen en je vijand in jezelf omarmen, de tegenstelling van het neuraal innerlijk en de dove werkelijkheid, dat moet de kunstenaar laten zien, deze feiten zijn saai, daar kun je géén geld mee verdienen, niemand zal je uitnodigen om de verscheurde mens die hij eigenlijk is te laten zien, KIRAC wil op een nieuwe manier met de waarheid omgaan, met de KUNST, gewichtloos tussen wat in je brein en in de werkelijke werkelijkheid gebeurd is wat Robert Kruzdlo TUSSENMENS noemt, en, hoe je je ook verplaatst, van de ene plek naar de ander, vanuit het binnen, vanuit het buiten, de natuur maakt je slachtoffer, de ‘Tussenmens-kunstenaar’ kent deze plek, is zich bewust van zijn lichaamsgewicht, hij weet zijn plaats en pas dan … als hij lef heeft de onzin van zijn zinvolle projectie in te zien, en dat inzien = het HET, daar gaat volgens mij KIRAC over en natuurlijk ook weer NIET…WEL om de liefde¿

Liefde duurt korter dan het leven van een kunstenaar.

Wordt vervolgd.

Barcelona Robert Kruzdlo april 21 2022

!dyonisich hermann nitsch ist tot!

Hondse kunst van Hermann Nitsch

1938 bin ich in wien geboren und im 2. weltkrieg aufgewachsen. von 1943-1945 musste ich als kind täglich bombenangriffe erleben. mein vater fiel in russland. der krieg machte mich schon als schüler zum kosmopoliten und gegner aller nationalitäten und aller politik.

hermann nitsch de holenmens, hondse kunstenaar, filosoof, een weerspannige kunstenaar, rebellie, opstandig; de kunstenaar dient de deugden van de recalcitrant en de opofferende weerspannigheid te belichamen: dit is mijn lichaam en dit is mijn bloed. biologischer kan het niet: goddeloos en atheïstische polonaise.   

Foto Ars Electronica Hermann Nitsch

het uit de aarde opstijgt je voeten bereikt aan een eindeloze reis begint doorbloed het

luister

hoor

het

Robert Kruzdlo Barcelona 20 april 2022